Essay Marie Kleine-Gartmanpen 2010 - Wouter Hillaert

Download

Inhoud:

Zelden is er in de Lage Landen zo publiekelijk en zo massaal over kunst gedebatteerd als de afgelopen maanden. Tegelijk ging het in alle opiniestukken, marsen, manifesten, colloquia en parlementaire debatten eigenlijk nooit over kunst. Het ging over de politiek-economische organisatie en het belang van kunst, en dus over haar ontstaansvoorwaarden en haar effecten. Wat daartussen zit, zeg maar alle films, muziektheaterproducties of schilderwerken die de kunst uitmaken, losten op in één groot vat van ofwel ‘alles van waarde’ ofwel ‘linkse hobby’ – al naar gelang het perspectief van de spreker. Zulke algemene geloofsartikelen zijn logische wapens in tijden van strijd, maar hebben het nadeel dat ze meteen afschampen op het opgeheven schild van het andere kamp. Je krijgt dan wat je de afgelopen maanden kreeg: een stellingenoorlog. Is iemand één millimeter opgeschoven?
Laten we het eens in de kunst zelf zoeken. Wat loopt er precies mis in pakweg het theater, dat helpt verklaren waarom er nu blijkbaar genoeg maatschappelijke ruggensteun is voor de frontale aanval van een neoliberale ideologie op de verworvenheden van de kunsten? Het lijkt in tijden van strijd een verboden vraag, want een overgave. Alleen is de realiteit dat de strijd in Nederland intussen al beslecht is, en in Vlaanderen nog moet (en zal?) beginnen. Tijd voor een zelfonderzoek. Hoe kan het theater zijn belang weer duidelijk maken op de planken, in plaats van dat belang te moeten gaan uitroepen op straat en op de opiniepagina’s?



Foto Wouter Hillaert (c) Charlotte Boeyden

De strijd om het kunstenaarschap

Ik wil een omweg nemen via ‘het kunstenaarschap’: die meer algemene conditie waaruit alle kunst ontstaat. In essentie geloof ik dat de stellingenoorlog daarom draait: een diepe clash tussen kunstenaarsbeelden. Zo valt het op dat niet enkel Geert Wilders en zijn rechtse kamp de kunst elitarisme en zelfingenomenheid verwijten. Ook ex-cultuurminister Bert Anciaux sprak de Vlaamse cultuursector in 2000 al aan als ‘ascetische elite’. En ook – bijvoorbeeld – de linkse hoogleraar Rik Pinxten gebruikte in De artistieke samenleving (2003) woorden als ‘snobisme’ en ‘exclusivisme’ voor de houding van de gevestigde kunsten tegenover de ‘democratische’ community arts. Als kunstenaars elitarisme aangewreven wordt, is er dus allesbehalve één ideologische lijn. De kritiek zelf is ook niet nieuw. ‘De kunst is het alleenrecht van een kunstenaarsklasse geworden’, schreef Wagner al in 1850 in Das Kunstwerk der Zukunft. Hij vond dat de bijdrage van artiesten aan het publieke leven gelijk stond aan ‘luxe, overtolligheid en zelfzuchtig tijdverdrijf’. Hoe divers ook, uiteindelijk leggen al deze criticasters de kunsten een verraad aan ‘het volk’ ten laste. Bij Anciaux is dat een basisdemocratisch, bij Wilders een volksromantisch appel. Maar allebei delen ze kunstenaars in bij de hogere machten.
Precies die identificatie met het establishment is wat zo prikt: ze gaat lijnrecht in tegen het zelfbeeld van kunstenaars als onafhankelijke uitdagers van de dominante cultuur. De wortels van dat zelfbeeld liggen in de late negentiende eeuw, zo leert cultuurfilosoof René Boomkens in zijn kersverse overzichtsstudie Erfenissen van de Verlichting. Hij verbindt het aan de opkomst van de publieke intellectueel: de onafhankelijke denker à la Zola, die openlijk stelling nam tegen de politieke en burgerlijke elite. Dit nieuwe type bewoog zich in het jonge milieu van de bohème: een artiest in de marge, genre Baudelaire, waaruit de hele schare avant-gardekunstenaars zou voortkomen. Zijn wezenlijke identiteit bouwde juist op zijn verzet tegen het burgerlijke bestel. Algauw ontstond daaruit een nieuw, autonoom veld: dat van de artistiek-intellectuele praktijk, die autoriteit claimde over ‘de publieke zaak’. Karl Mannheim heeft die autonomie in 1929 sociologisch onderbouwd. Specifiek voor de ‘maatschappelijk ongebonden intelligentsia’ was volgens hem dat ze een ‘niet verankerd, relatief klasseloos stratum’ vormde.

De kunstgreep van Wilders en co. bestaat er nu net uit die relatieve klasseloosheid weer te ‘klassificeren’: kunstenaars, met hun universele aanspraak, staan tegenwoordig geboekstaafd als ‘linkse kerk’ of ‘grachtengordel’. Ze zijn weer in het aloude klassenmodel gedrumd, terwijl de grote kracht van pakweg nationalisme is dat het zich daaraan weet te onttrekken: het kan iedereen aanspreken, los van rang of stand. Door kunst als elitair te brandmerken, verkruimel je haar aanspraak op de ‘publieke zaak’. Kunstenaars hebben het algemene belang dan niet langer iets te bieden, ze slurpen subsidies. De ‘politie en dief’-metafoor onder Halbe Zijlstra’s bericht dat ‘niemand veilig is’ voor zijn maatregelen als verantwoordelijk minister, is daarvan de logische consequentie. Staan kunstenaars niet vooral daarom met hun mond vol tanden bij alle kunsthaat? Ze zien zichzelf als een van de laatste kritische machten tegenover het dominante systeem, en moeten nu ineens zelf aan de schandpaal als het gezicht ervan. Ivo Van Hove, directeur van Nederlands grootste toneelgezelschap, heeft die omslag op scène sterk belicht in zijn Kinderen van de zon. Kunstenaars en intellectuelen konden in zijn interpretatie van Gorki’s ondergaande Russische hoogburgerij vooral zichzelf herkennen. Precies daarom, geloof ik, zien we vandaag ook zoveel Tsjechovs. De bohème is een bourgeois gaan heten, en is totaal in de war over zijn tanende maatschappelijke positie.


Het volledige essay kan u rechtsboven downloaden