Advertentie
Oog om oog - Marcel Otten
Het blijft altijd een heikele zaak om een toneelstuk naar een boek te maken dat al eerder met succes is verfilmd. Het risico blijft dat het toneelstuk zowel door pers als publiek met de film wordt vergeleken en dan moet vaak de toneelbewerking het onderspit delven. Om dit te vermijden heb ik, voordat ik aan de opdracht begon, de film slechts éénmaal bekeken. Natuurlijk had ik ooit de film in de bioscoop gezien, maar ik heb een dermate slecht geheugen dat veel van de film naar de verre uithoeken van mijn brein was verbannen.
De cast van het stuk was bepaald op vier acteurs waarbij twee acteurs (Linda van Dyck en Victor Löw) de dragende rollen speelden. De grootte van de cast bepaalt veelal de vaart en de sfeer van het stuk. Met een cast van twee topacteurs ben je makkelijker in staat iets intiems te creëren, maar het nadeel is dat de twee andere acteurs worden gedegradeerd tot het spelen van een aangeefrol. Dit moet koste wat kost worden vermeden en een oplossing in dit geval is het creëren van dubbelrollen waarin de acteurs in staat zijn meerdere kanten van hun artistieke kunnen te tonen. (In dit verband wil ik verwijzen naar het toneelstuk dat ik een jaar eerder voor Hummelinck/Stuurman had geschreven, de Batavia. Hier was het tegenovergestelde het geval, een behoorlijk grote cast van negen acteurs. Dan zijn er andere mechanismen werkzaam: de acteurs zijn maandenlang op reis door het hele land en het is zaak dat de voorstelling door een hechte club wordt gedragen. Daarom had ik in dit toneelstuk – afgezien van de hoofdrolspeler – elke acteur een gelijkwaardige rol gegeven, rekening houdend met ieders capaciteiten.)
Als leidraad voor het stuk gold het boek van Sister Helen Prejean, een case study over het geestelijk begeleiden van ter dood veroordeelden. Slechts incidenteel heb ik passages uit het filmscript in het stuk verwerkt, maar er telkens een draai aan gegeven. Dit laatste was ook om auteursrechtelijke kwesties te vermijden. In het boek worden twee gevallen van ter dood veroordeelden besproken met vele zijwegen naar andere gevallen. Het boek van Sister Helen Prejean is geen lineaire roman: bezoeken aan de ter dood veroordeelden worden afgewisseld met filosofieën over de doodstraf (bijv. Albert Camus), juridische kwesties, statistieken, geloofsoverwegingen etc. Ik heb de twee besproken gevallen uit het boek samengevoegd tot één personage en ook de andere personages uit het stuk – de ouders van het vermoorde meisje, de gevangeniskapelaan, een non – zijn bijeengeraapt uit allerlei gegevens uit het boek en vervolgens gemodelleerd naar eigen inzicht. Passages uit het boek zijn kriskras in het stuk verwerkt.
Een van de belangrijkste veranderingen die ik bij het personage van de ter dood veroordeelde heb toegepast is dat ik hem een heel persoonlijk idioom heb meegegeven. Van de ene kant is hij heel onhandig met taal, maar aan de andere kant is hij sluw genoeg om datgene wat hij links en rechts oppikt meteen tegen iemand te gebruiken. Door zijn ‘onhandigheid’ met taal maak je het personage sympathieker, terwijl zijn geslepen omgang met taal het personage juist afstotender maakt. Die dualiteit in het personage doet recht aan het thema van het stuk, de doodstraf. Zowel voor- als tegenstanders moeten evenveel argumenten in handen krijgen. Zo ook het personage van de non: aan de ene kant heb je sympathie voor haar omdat ze zo begaan is met het lot van anderen, maar aan de andere kant kun je haar ook als naïef karakteriseren. Dit alles met het doel zoveel mogelijk verwarring bij het publiek te stichten.
Een zwaar onderwerp als de doodstraf moest mijns inziens ook doorbroken worden met lichtvoetigheden: elke tragedie heeft zijn Falstaff... Dit heb ik gedaan in de vorm van de gevangeniskapelaan die een karikatuur van het christelijk geloof is en ook – zij het in mindere mate – door de andere non uit het stuk, Lilianne.
Het thema van de ring (een vinger met de ring werd van de hand van het vermoorde meisje afgesneden en is sinds de moord zoek) heb ik zelf verzonnen. Het leek mij een goed gegeven om het verhaal tot een afsluitend geheel te maken en als leimotiv is het bruikbaar gebleken om aan de ene kant de compassie van de vader te accenturen en aan de andere kant het totale gebrek aan compassie van de ter dood veroordeelde.
Verder heb ik geprobeerd een onderhuidse spanning te creëren door middel van seksuele toespelingen, de angsten van de non, het gemanipuleer van de ter dood veroordeelde etc. Een wens van de regisseur – Ignace Cornelissen, die perfect werk heeft afgeleverd, chapeau! – om meer gruwelijkheden omtrent de moord in het stuk te verwerken heb ik naast mij neergelegd omdat ik het onderwerp al zwaar genoeg vond en ik wilde voorkomen dat het publiek door al te plastische beschrijvingen van de moord af zou haken. Toch ontkom je bij zo’n gegeven niet helemaal hieraan en daarom heb ik clausen hieromtrent in de mond van de moeder van het meisje gelegd (en juist niet aan de vader!); uit de mond van een moeder klinkt iets dergelijks aangrijpender.
Een stuk als Oog om oog staat of valt met de acteerprestaties en zonder de inzet van alle acteurs zou deze voorstelling niet geworden zijn tot wat zij is.
Marcel Otten
Tamhnach an ‘tSalainn
Dún na ‘nGall
Éire