KIJKEN en LEZEN Peer Wittenbols over Waakhondje

Inhoud:


WAAKHONDJE


Ze doen de boodschappen en ze doen de was. Ze koken, poetsen het huis en betalen de rekeningen. En ze zijn zussen. Twee zusjes die zichzelf opvoeden want hun moeder ligt in bed.


Al een half jaar lang ligt ze op bed. Vanaf de dag dat papa met zijn auto tegen een boom is geknald. Boem. Ineens was hij dood.


Mama mist hem zo erg dat ze niet op kan staan. Soms ziet ze hem zelfs en praat met hem. Maar hoe hard de zusjes het ook proberen; zíj zien of horen hun vader niet.


Zij zorgen zo goed mogelijk voor hun moeder. Als ze verdriet hebben, of ruzie, laten ze het niet merken. En ze verzinnen de gekste dingen om haar uit bed te krijgen. Mama probeert het wel, maar het lukt haar niet. 


Tot er voor het eerst sinds heel lang iemand op bezoek komt… een jongen die brandt van nieuwsgierigheid.


Een paar jaar geleden vertelde iemand me dat haar moeder, na een verdrietige scheiding, een jaar op bed had gelegen. Ze deed niets, ze rookte alleen maar.


De dochter kookte, waste en maakte schoon.


Dat beeld is me bijgebleven.


Ik wist: dat wordt een stuk. Een stuk voor kinderen.


Nadat Lidwien Roothaan en ik De Nimfen hadden gemaakt bij tg Oostpool (toen nog onder de begeesterde artistieke leiding van Rob Ligthert) beloofden we elkaar dat we zo snel mogelijk samen een nieuw stuk zouden gaan maken.


Ik vertelde Lidwien over de rokende moeder en over de huishoudende dochter.


Ja, dat stuk wilde ze absoluut regisseren. En ja: graag voor een jong publiek.


Waarom? Omdat Waakhondje (de titel was er al snel) zou gaan over de menselijke veerkracht.


De Nimfen ging over vier zussen en een gen.


Een borstkankergen dat hun moeder al fataal geworden is. De oudste zus is, na een zware tijd, genezen verklaard. De tweede is ziek. De derde en de vierde staan voor de keuze: preventief opereren of niet?


Het werd in Lidwiens enscenering, een rauw en intiem stuk. Er werd veel gehuild in de zaal, terwijl de voorstelling nergens sentimenteel was.


Dát! Maar dan voor kinderen.


Ik schreef een aantal scènes over een jongentje dat allerhande pogingen deed om zijn rouwende moeder uit bed te krijgen. Hij verzon van alles en nog wat om zijn moeder naar het raam te lokken of de tuin in te krijgen. En lukte het niet goedschiks, dan desnoods kwaadschiks.


Het was niet goed genoeg.


Waarom niet? Omdat het mooie (en het tragische) aan het oorspronkelijke waargebeurde verhaal was dat het de dochter juist lukte om de rol van de moeder over te nemen. De dochter was de moeder niet aan het redden, ze was aan het overleven.


We bedachten twee jonge dochters die samen het huishouden bestierden en die ook nog eens over hun eigen moeder moederden. En ze werden er steeds beter in.


Een behoorlijk gelukkig gezinnetje dat, Goddank, een nieuw evenwicht gevonden heeft.


Een evenwicht waarbij de buitenwereld zorgvuldig de buitenwereld moest blijven.


En…


We bedachten een buitenstaander, een jongentje: Wolf, dat onbedoeld, het fundament van dit gezin kwam testen.


Dus opnieuw: geen reddende engel, maar een passant met een eigen agenda die min of meer per ongeluk in het delicate web van dit gezin verstrikt raakte.


Toen begon het te kloppen.


 


Peer Wittenbols