Ook als een hoge man ter aarde stort, blijft de wereld draaien

Over Vette Dinsdag van Peer Wittenbols

Inhoud:

“En nu? … Waarnaartoe, Kleibeuker?” Het is een vraag die de hoofdpersoon van Vette Dinsdag, een monoloog geschreven door Peer Wittenbols, zich meerdere malen stelt.


“Je kunt naar links, het kan ook niet.
Je kunt naar rechts… mijn God,
weer volop keuze.”


Het is de vraag van een man in het uur waarop zijn leven “voorgoed een haakse hoek zal maken.” De dag waarop hij de grootste miskleun van zijn leven ontdekt. Terug naar de tekentafel. Hoe nu verder? Wat rest een man nog wanneer hij zijn levensdoelen, alles wat hij moest en wilde, reeds en met gemiddeld succes heeft bereikt? Drie-vierde-levenscrisis. De wereld op zijn kop en links is rechts geworden: de gemoedstoestand van Vette Dinsdag, de laatste carnavalsnacht voor het vasten – de nacht waarin de protagonist zijn toevlucht zoekt.


Wie Vette Dinsdag leest, waant zich bij tijd en wijle in een roadmovie in de vijfde versnelling - en zonder remmen. Hals over kop volgen we de tragikomische val van een man die normaler is dan hij zou willen. Het is een thema of motief dat vaker terug te lezen is in het werk van Wittenbols. En evenals Wittenbols’ eerdere monologen zoals De Broekneus, is ook Vette Dinsdag een virtuoos spel met taal, klank en poëzie.


Het verhaal balanceert op het randje tussen ridicuul en geloofwaardig, tussen platte dronkenmanshumor en vernuftige slapstick. Dokter Thomas Kleibeuker, een kwieke bijna-zestiger met een buikje en werkzaam op “de hoogste der hoge etages” van het ziekenhuis, is de koning van de routine. Hij fietst elke morgen op de gazelle naar zijn werk. Uitgezwaaid door Nicolien, zijn liefdevolle maar uitgebluste echtgenote. Onopgemerkt door dochterlief Sofie, want die is “te druk met druk zijn.” Op de werkplek aangekomen groet hij zijn collega’s in de vaste volgorde, trekt een vers operatiepak aan om vervolgens aan “die honderdmiljoenste werkdag” te beginnen.


“En van je snijden maar.”


Kleibeuker is zo’n volleerd en geroutineerd chirurg dat hij een ‘acute buik’, een acute blindedarmontsteking, nog met zijn ogen dicht zou kunnen verhelpen. Groot is dan ook zijn ergernis als hij op desbetreffende onheilsdag het werk van een of andere “blinde slager” moet herstellen die bij een hoogzwangere patiënte – “d’r allerlaatstekans kind” – in plaats van de ontstoken blinde darm te verwijderen, de dunne darm heeft doorgesneden. De schok is des te groter wanneer de naam van de dilettant die deze medische misser heeft begaan, zijn eigen blijkt te zijn: Thomas Elias Johannes Kleibeuker.


Het vormt het beginpunt van een escapistische anti-heldentocht op operatieklompjes door de dronken carnavalsnacht. Kleibeuker vlucht uit de operatiekamer zonder de ingreep af te ronden en terwijl het lot van moeder en kind nog onzeker is. Samen met kompaan en collega Jan Willem Crusio – “’Dokter Bibber’, voor intimi”, een ervaren arts met een voorliefde voor opiaten die op non-actief staat vanwege een “Louis Kahntje” - rolt Kleibeuker van het ene naar het andere dronkenmansavontuur. Een tocht die leidt naar menig carnavalscafé, wraakvandalisme, de Toi et moi, een huis van lichte zeden, en een politieachtervolging per auto op hoge snelheid en in delirische staat.


Vette Dinsdag moet wel met veel plezier geschreven zijn. De tekst is rijk aan verdraaiingen, versprekingen en onverwachte wendingen.


“Dikke Melissa aan de lijn:
‘Dokter, dokter, het is met mij
we zijn u kwijt.’
Ik zeg… Ik zeg:
‘Goed dat ik het weet en hou me op de hoogte.’”


De taal staat bol van vakjargon, beeldspraak, neologismen en carnavalskrakers. Wittenbols schept hiermee een wereld die op het punt staat over te hellen. Een wereld waar je “toetoeteloerezat” door de “sjampetter” op de hielen wordt gezeten, waar het hoertje van jouw gading in de “liefdesFebo” een naamgenoot van je dochter blijkt te zijn, waar de tijd wordt geteld in alcoholische eenheden en de vraatzuchtige zoen van een varken met een verpleegster in witte latex je doet beseffen dat je nog leeft.
Wittenbols monoloog leest als een liefdesverklaring aan de taal. Ritmisch en dynamisch, met rijm, binnenrijm en alliteraties.


“daar zullewe, verdulleme, de Veldwachter hebben”


Het is poëzie om te proeven. Een ingenieus geconstrueerd kunstwerk, maar onmiskenbaar spreektaal. Deze tekst moet gesproken worden, over tongen rollen, tegen tanden kletteren, met beetjes spuug de wereld in worden geblazen. Gymnastiek voor de mond. Mocht u overigens de kans hebben Kees Hulst deze monoloog te zien vertolken – grijp ‘m dan.


Het is ook de taal van een man die een zeker cachet en charme heeft hoog te houden. Die met een rijk vocabulair en flauw – doch briljant! - woordspel zijn “hogeropgeleidheid” en “zesmaalmodaalheid” weet te onderstrepen.
Wittenbols laat Thomas Kleibeuker zelf zijn verhaal vertellen. Gesitueerd gedurende ‘the morning after’, houdt de monoloog het midden tussen een referaat en een flashback – met het metrum van een carnavalsgedicht. Nog met de kater van de nacht ervoor geeft de dokter uitleg over het hoe en wat van de ontstoken blinde darm, introduceert zichzelf aan zijn publiek om dan – met steeds een slokje tussendoor - over de gebeurtenissen van de dag van die onfortuinlijke wending te vertellen.
Kleibeuker beschrijft zijn lotgevallen in chronologische volgorde, maar met de kennis van de dag erna. Het is de vertelvorm van een persoonlijke anekdote: een verhaal in eerste persoon enkelvoud waarin de ik zichzelf als personage opvoert; zowel verteller als de held van het verhaal.


“Ikzeg ikzeg ikzeg: ‘Okay,’ zeg ik, ‘dit is het plan:
zo hard mogelijk rijen als je maar kan, man.’”


Maar Kleibeuker is niet enkel verteller. Hij is spreker en hij richt zijn verhaal nadrukkelijk aan het aanwezig publiek:


“Links van mij, voor de kijker rechts,
een kreunende, krakende Crusio.
Rechts van hem, links voor u,
lig ik, voorover in die uitgelubberde witte ballon.”


Vette Dinsdag
is een tekst om uitgesproken te worden tegenover een publiek. Een tekst die vraagt om toehoorders en toeschouwers.
Of is het Kleibeuker zelf die vraagt om een aandachtig publiek? Waarom houdt hij dit relaas? Is het een biecht? Of wellicht een ‘cautionairy tale’: kijk uit voor de hybris van de meer dan bovenmodaal verdienende man.
Kleibeuker is een man die gewend is te oreren. Iemand die zijn taal inzet om zijn positie aan te geven. Zo’n dokter die zijn publiek maar al te graag vertelt dat ze de rest van een ziektebeeld maar even moeten googelen.


“Appendicitis (dubbel p) en ‘citis’ (met twee keer i).”


Het is veelbetekenend dat Wittenbols het woord geeft aan zijn hoofdpersoon. Kleibeuker die in de rol van verteller, middels fantasierijk woordspel zichzelf vormgeeft. Een toespraak als poging tot zelfaffirmatie. Tevergeefs. Gaandeweg de vertelling verschijnt tussen de spitsvondigheden door het beeld van een zoekende man. Tegen beter weten in probeert hij zijn beeld van de wereld en zijn eigen positie daarbinnen, overeind te houden met slimme vondsten en bijzondere woorden. Pas aan het einde van de nacht komt Kleibeuker de situatie onder ogen. Dan, terug in het ziekenhuis waar patiënt en kind het goed blijken te maken, vallen de adjectieven van hem af, vervliegt de rijm en verstilt de poëzie.


“Kennelijk komt het uiteindelijk allemaal goed.
Daar heeft men ondergetekende niet bij nodig.”


Misschien toont Vette Dinsdag de kleine wanhoopskreet van een man die zich bewust wordt van zijn overbodigheid. Wat voegt een mens nog toe nu zijn dochter groot genoeg is om zelf haar ondergoed te wassen, nu zijn vrouw het zorgen moe is en in hem allang geen reddende ridder meer ziet of nodig heeft? Nu ook zijn godenstatus op het werk feilbaar is gebleken. En hij zelfs in zijn eigen levensverhaal niet de held bleek te zijn.
De monoloog zoomt sterk in op Kleibeukers onfortuinlijke peripeteia. Het omslagpunt. Maar de afwikkeling is er nog niet. Het inzicht of de moraal moet nog komen, blijft misschien zelfs uit. Kleibeukers vraag ‘En nu?’ blijft resoneren. En doet je afvragen of elk – tijdelijk – antwoord op die vraag lukraak of veelbetekenend was. Er is nog tijd, de sigaret is nog niet opgebrand. Maar misschien is het tijd om terug te kijken. Om te koesteren wat is en wat was. Niet te veel te denken aan wat nog zal.
Dat is niet bitter en niet zoet. Het is een zachte landing op koude grond. Het besef dat ook als een hoge man ter aarde stort, de wereld door blijft draaien. Dat de dingen ondanks jouw fouten toch op hun pootjes terecht komen. Het was slechts een momentopname in een grote soep van leven.
En dat ook dat, al is het maar voor even, er toe doet.


Aukje Verhoog (1987) studeerde af aan de masteropleiding Theatre Studies van de Universiteit Utrecht en werd in 2012 genomineerd voor de Theaterscriptieprijs voor haar masterthesis ‘In de tussentijd. Een esthetiek van duration in performance’. Sindsdien is zij als freelancer werkzaam als programmeur en dramaturg, o.a. voor Bellevue Lunchtheater, SPRING Performing Arts Festival en De Hollanders.


Ze schreef deze tekst in opdracht van Schrijverspodium naar aanleiding van de nominatie van Peer Wittenbols voor de Taalunie Toneelschrijfprijs 2014.


Pdf

Ook als een hoge man ter aarde stort, blijft de wereld draaien heeft ook een band met: