Tom Lanoye over zijn twintig toneelstukken

  • Categorie(ën): Interview
  • Auteur: Johan Reyniers
  • Online sinds: 23 december 2011

Inhoud:

Etcetera 127Mag het iets meer zijn? Het mocht iets meer zijn. En dus was er op de zetel van de nv Lanoye in Antwerpen een namiddag lang met Tom Lanoye een gesprek over zijn vijftien toneelprojecten, goed voor een voorlopig totaal van twintig teksten, want de marathonproductie die Ten oorlog was, bestond uit zes aparte stukken. Alles begon in 1989 met De Canadese muur, een stuk dat Lanoye samen met Herman Brusselmans schreef. Of neen, het begon nog vroeger. In de jaren zestig, in Sint-Niklaas, waar de jonge Lanoye met het theater in aanraking kwam. Niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk. Niet alleen in de schouwburg, maar ook thuis.


Tom Lanoye: Het middenstandsmilieu waarin ik opgroeide, heeft vanzelf iets theatraals. Een winkeltoog is een podium. Dezelfde moppen, dezelfde replieken: geënsceneerde gezelligheid. Mijn moeder zat bovendien in het amateurtoneel. Ik mocht in haar tekstbrochures de replieken onderlijnen, of zelfs afvragen. Ik was dol op de rituelen: mijn moeder die zich schminkte in haar kleedkamer, die de dag na de voorstelling nog zit te sakkeren op de tegenspeler die zijn rol niet kent… Al dat soort verhalen die je dan later in het professionele toneel terugvindt, zijn voor mij altijd veel automatischer en vanzelfsprekender geweest dan televisie kijken.
Mijn ouders hadden op een of andere manier meegekregen dat je je kinderen kunstzinnig moest opvoeden. Zo van, ok, we hebben een winkel, maar de échte dingen van waarde – zelfs al moet je ze zelf bekostigen met wat je doet –, het echte leven speelt zich toch af binnen de kunst. Misschien is amateurkunst, vanwege zijn dweperigheid, de beste leerschool. Want het heeft een enorme intensiteit. Het is een soort tegengewicht voor het gewone. Bij mijn moeder was dat zeker aanwezig.

Wat voor toneel heb je in je jeugd gezien?
Weinig professioneel toneel want daarvoor moest je naar Gent of Antwerpen. Voor mensen met een winkel was dat niet haalbaar. Ik zag wat goede amateurkringen speelden. Mijn moeder zat op de duur in drie groepen, omdat ze veel wou spelen: Sint-Genesius, De Goudbloem, Argus. Er hing een boeiende, competitieve sfeer. Ze deden stukken van Edward Albee, Who’s Afraid of Virginia Woolf, wat toen het Landjuweel heeft gewonnen, Griekse dingen als Antigone, komedies als Boeing Boeing. Ik heb zelf meegespeeld in Al mijn zonen van Arthur Miller en Ons stadje van Thornton Wilder. Eén keer, dat was bij Harold and Maud, van Colin Higgins, hebben ze mij naar buiten gestuurd, omdat ze dat toch wat morbide vonden. Het huis van Bernarda Alba was ook heel populair, omwille van de vrouwenrollen. En dan was er Het gezin van Paemel. Dat werkte altijd. Zulke stukken, dat zijn toch echt onze westerns. Ik kan er niet op neerkijken of er blasé over doen.
Met de school gingen we kijken naar de Apologie van Socrates, door Julien Schoenaerts. Ik vond dat echt on-ge-loof-lijk. Er was veel rumoer in de zaal, waarop Schoenaerts uit zijn rol stapte en met zijn charme en ironie die scholieren begon toe te spreken, waarna die hun muil hielden. Daarna speelde hij gewoon verder. Ik was daarvan misschien nog meer onder de indruk dan van de prestatie van het spel zelf.
In de toen pas gerestaureerde foyer van de Stadsschouwburg van Sint-Niklaas heb ik een tijd als garçon gewerkt. Dat is ook weer zo’n typisch maatschappelijk geënsceneerde theatersituatie: je bent er speciaal voor gekleed, hebt vaste aanspreekrituelen, iedereen speelt mee. Ik kon dan stukken zien als Mistero Buffo, en de Obscene fabels van Dario Fo, gespeeld door Jan Decleir. Vijf minuten voor Jan op moest, kwam hij aan de toog een pintje drinken. Ik was daar toen totaal verbluft over.

Wanneer wist je dat je toneelschrijver wou worden?
Voor mij is het altijd vanzelfsprekend geweest dat ik zou schrijven voor toneel, én dat ik met eigen teksten op een podium zou staan – wat niet hetzelfde is. Ik wou van mijn pen kunnen leven en ben beginnen optreden met teksten, in eerste instantie voor het geld. Maar ik wou ook weten hoe een tekst wérkt op een podium. Welke zinnen komen aan, welke niet?
Ik heb later eens bij Arthur Miller gelezen: je kunt een leven lang toneel schrijven, en toch nooit kunnen voorspellen welke zin zal aankomen, en welke niet.

***

De Canadese muur
Nieuw Ensemble Raamteater
1989

Je eerste toneelstuk schreef je samen met Herman Brusselmans. Hebben jullie die tekst in opdracht geschreven?
Het is één van de weinige teksten die ik niet in opdracht heb geschreven. Ik was in die tijd net naar Antwerpen verhuisd. Herman woonde in Gent. We zochten naar een manier om met elkaar in contact te blijven. Ik ging om de week voor één dag naar Gent, hij kwam de week daarna naar Antwerpen. Het waren prettige schrijfmomenten. We hebben veel gelachen, weinig van de moppen gebruikt. Omdat het met Herman was, ging het stuk over voetbal. Ik moest hem voortdurend bij de les houden, want Herman was niet zo’n fan van stevige constructies. Hij stond dan weer verder in de puntige dialoog. We stopten er allerlei verwijzingen in. Het hoofdpersonage Richard bijvoorbeeld is een soort Richard III, want hij mankt ook met zijn been. We hadden dat stuk samen bestudeerd in de Germaanse, bij de legendarische professor Schrickx.
Ik ging vaak naar voorstellingen kijken in het Raamteater. We stuurden het stuk op naar Walter Tillemans. En ook naar het toen pas opgerichte Toneelgroep Amsterdam. Tillemans was op zoek naar jonge honden voor het toneel. Hij stond onmiddellijk aan mijn deur.
Op de première zaten Paul Van Himst en Jean-Marie Pfaff op de eerste rij. Ik denk dat ze zelfs Rik De Saedeleer hadden opgetrommeld. vtm was er ook, die waren toen net van start gegaan. Terwijl het toch een stuk was waarin de grote voetballers als losers worden voorgesteld. En er was ook pedofilie, met twee venten die elkaar een tong draaien. Niet echt een hit, tijdens die première.

Het volledige interview kan u lezen in Etcetera 127