Cold turkey

Geschreven op 5 augustus 2010 door Pepijn Lievens

Ik zag nog nooit een vrouw die zo mooi was als Clara van den Broek. Ze stond daar, helemaal alleen, in een schuddend loodsje, met een verhaal als instrument. Ze sprak niet, ze zuchtte en zoemde. Ze speelde niet, ze was, voor heel even. En wij mochten luisteren en grinniken en soms al eens lachen, maar vooral stil zijn, om geen moment te missen van die voorstelling die maar één seconde leek te duren. Het was niet groots, niet halsbrekend of overdonderend. Er was geen kunstzinnige projectie en geen reusachtig decor. Er waren wel heel veel beelden, die ze opriep met haar zacht geklater. Beelden van ruisend leven in Roemenië, van een benauwd besloten hotelkamer in Brussel, van de coulissen van een hoerenkot, van de ronding van een opbollende buik, van eenzame tranen, van heimwee, eeuwige heimwee, naar wat nooit meer zal zijn. Dat is wat theater kan zijn: De werkelijkheid en het vervolgens ontstijgen. De ruwe waarheid verpakt in een pralinedoos.

Ik zit na de voorstelling in een Oostends volkscafé, wat dromerig voor me uit te staren, zoals het schrijvers betaamt. Ik vertoef nog in de wereld van Clara, als ik bruusk met het heden word geconfronteerd. Aan de toog staat een man, naar de bodem van zijn glas te turen. Hij kijkt niet, hij tuurt, met wijd opengesperde ogen. En wel om een voor de hand liggende reden: twee lucifers houden zijn ogen open. Ik wil net opstaan om een drankje te halen en terloops aan die man te vragen wat er met hem gebeurd is. Een ooglidverlamming, vermoed ik. Daar heb ik al eens over horen vertellen, over mensen die hun ogen sloten omdat ze iets afschuwelijk zagen. Bijvoorbeeld een man die zijn vrouw vond in de echtelijke sponde, terwijl ze de liefde bedreef, met haar bloedeigen zus. Of een moeder die haar stervend kind in haar armen wiegde terwijl het zijn laatste woordjes mompelde: ‘Mama, laat me niet alleen’. Een stukgeslagen spiegelpaleis van dromen. Vervolgens besloten de ogen die dit zagen om nooit meer te kijken. Ik wil net de man met de luciferogen uithoren over de vreselijke beelden die hij onlangs moet hebben gezien, als de politie een razzia houdt. Een razzia! In een volkscafé! Nu ben ik al op vele plaatsen geweest, in discotheken groter dan kathedralen en in afterpartygelegenheden die nooit sluiten. Op plekken waar de wodka Redbull in beken stroomt en dealers de coke eigenhandig in neuzen duwen. Op plekken kortom waar men een razzia verwacht. Maar in een volkscafé?! De agenten beginnen lustig de volksmensen in elkaar te rammen. Het bloed spettert in het rond. Bierglazen, asbakken en poedels vliegen door de rokerige lucht. In een oogwenk is het café vertimmerd. De flikken nemen enkele weerbarstige individuen mee, waaronder een hoogbejaarde vrouw in een rolstoel, een dwerg met een bocheltje en een dakloze met een paraplu. De man met de luciferogen laten ze staan. Ik krijg dan toch de kans om eindelijk te vragen waarom hij zijn ogen heeft gesloten. ‘Omdat ik moe ben’, zegt hij. Vervolgens lost hij op in het niets. Op de plek waar hij heeft gestaan dwarrelen rozenblaadjes en huidschilfers.

Zit ik nu in een volgende voorstelling of is het realiteit? Na enkele dagen Theater aan Zee beginnen waarheid en fantasie te versmelten. Ze lopen in elkaar over zoals mijn dagen in mijn nachten, haast onmerkbaar, om me dan opeens meedogenloos te confronteren. Ik weet niet meer wie of waarom ik ben, in welke voorstelling ik zit. Zou het dan toch bestaan, een overdosis theater? Een ondoordringbaar delirium. Nog een paar dagen volhouden. En dan cold turkey.

Dit artikel werd geschreven in de categorie Zeechroniqueurs

Tags: , , ,

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond