Advertentie
Jezus van Nazareth (bij Gent)
Geschreven op 1 augustus 2010 door Pepijn Lievens
Mijn ma was een cafédochter. Allee ja, nie de dochter van ’t café zelf, hé. Da kan nie, hé. Da zou nogal wa zijn. Dat er een bevruchting van bierschuim en sigarettenrook tot stand was gekomen. Da ze negen maanden in den onderbuik van ’t café gezeten had, in de kelder. ‘t Eeuwig regen- en dampvocht als vruchtwater. Een navelstreng verbonden met een biervat. En da ze dan, hopa, na veel wringen en wroeten de wijde wereld was in gekatapulteerd, de gelagzaal. Nee, zo is da nie gegaan. Cafés baren geen kinderen, hé. Cafés baren hoogstens toogwijsheden, gebrabbelde grappen, kaartersvloeken en braaksel. Nee, z’ is de dochter van de cafébaas en zijn madam, mijn grootouders. René en Jeanne! Da zijn namen die gemaakt zijn om te roepen, hé. ’t Was altijd van: ‘René, geef mij een pint!’ ‘Jeanne, waar is den dweil? d’ Er heeft er hier enen op de vloer gezeikt.’ René en Jeanne! Da zijn namen die ‘k nooit zacht of warm heb horen uitspreken. ’t Was nooit een keer van: ‘René, wat een mooi maanlicht danst in de schemering van uw etablissement’. Of: ‘Jeanne, ik zie u graag tot ver voorbij de einder, tot in de krochten van het heelal’. Nee. ‘Jeanne, ‘k wil met u poepen!’ ‘Hela, hela, manneke, ge gaat hier subiet een keer buitenvliegen en ge gaat uw pint mogen laten staan, hé!’ Algemene stilte. Zo’n grof dreigement. Uw pint, dat heilig vocht, moeten laten staan, zonder ze te mogen uitlebberen tot op den bodem. Wow. Als mijn ma thuiskwam van ‘t school, was ’t eerste da ze deed, achter den toog kruipen, op haar teentjes gaan staan, de tapkraan laten lopen om haar onverzadigbaren dorst te lessen aan den teut. Daarna zette ze haar aan ’t tafelke bij ’t raam, achter de sanseveria’s, en deed ze proper en braaf haar huiswerk. Den achterkant van de bierkaartjes gebruikte ze als kladblaadjes. Diezelfde bierkaartjes nam ze soms mee naar ’t school. Op de voorkant stond er: Stella Artois, het bier voor de ware sportman. Op den achterkant had haar pa een paar woorden gekrabbeld: ‘Helaas kon ons Maria dezen ochtend niet aanwezig zijn op school, ze was verhinderd wegens omstandigheden’. Die omstandigheden waren da ze ’s ochtends om zes uur slaapdronken van de trap was gesukkeld om ‘t café te kuisen. Om de sporen verspild biervocht en bloed van zattemansgevechten van de vloer te schuren. Om de tranen van de toog te schrobben, tranen van ruziënde koppels, waarvan de ruziemakers in kwestie de volgende dag met hun benevelde koppen zelf niet meer wisten da ze ze gebleit hadden. Mijn ma moest de plakatief, glasrinkelkes en gemorste asse van de tafels krabben. Ze spoelde de urinoirs met bleekwater tot de aangekoekte piskristallen nog maar vaalgouden tekeningen waren. Dáárvoor moest ze om zes uur in den ochtend opstaan. Maar den helft van den tijd waren de laatste klanten nog aan ‘t nachtbraken, zat mijn grootmoeder met haar kop op haar armen aan een tafelke te snurken, en lag mijn grootvader uitgeteld achter zijn toog, met een van geelzucht gekleurd gezicht en schuimbellekes op zijn lippen, alsof dat hij ’s nachts veranderd was in wat dat hij aan de man bracht, een bruisende pint. Mijn ma ging in haar slaapkleed naast den jukebox zitten en speelde honderd keer achtereen ‘tzelfde liedje, tot dat alle klanten verjaagd waren, tot da mijn grootvader wakker was geworden en hij zijn vrouw bij haar voeten naar boven had gesleept. Het liedje da mijn ma altijd maar uit den jukebox liet schallen was van Louis Armstrong, What a Wonderful World.
(Wordt vervolgd)
Dit artikel werd geschreven in de categorie Zeechroniqueurs
Tags: pepijn lievens, taz, toneeltekst, zeechroniqueur
Reageer
velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.






