Advertentie
Jezus van Nazareth (bij Gent) 2
Geschreven op 2 augustus 2010 door Pepijn Lievens
Toen da mijn ma op haar zestiende naar huis was gekomen met een opbollende buik, had z’ ook da liedje opgelegd. En dienen kleinen in haar buik, ikke dus, had lustig mee geneuried, ‘k kende ‘t al van buiten. Ze ging aan den toog zitten. Haar ma was aan ’t afwassen, haar pa aan ’t tappen. Maria kauwde op een Bazooka chiclet, een roze. Haar pa knipoogde naar haar. ‘Ge zijt precies een lama, gij.’ Ze blies een roze bel tot hij klapte. Ze zoog haar chiclet in haar mond en met de lucht die ze daarmee had ingeademd, zei ze: ‘’k Ben zwanger’. Haar pa liet voor den eerste keer in zijn leven een pintglas uit zijn handen vallen. Zelfs als hij zo zat was als duzend Zwitsers, als hij negentig graden scheef hing, als zijn oogballen binnenste buiten gekeerd waren, als hij schokte met zijn handen gelijk een zieke van Parkinson, dan liet hij nog geen pint uit zijn handen glippen, op dat vlak was hij nogal standvastig. Verbijsterd vroeg hij: ‘Wadde?’ Ook haar ma leek het niet te geloven. Ze stond als versteend achter den toog met haar handen in ‘t afwaswater. Ze keek naar haar dochter, maar ‘t kon ook zijn dat ze door haar dochter keek, haar blik was troebel, z’ had nochtans nog nie gezopen.
‘g’ Hebt het just gehoord,’ zei Maria, ‘’k zit vol’. Ze keek naar de rechterhand van haar pa. Er waren twee mogelijkheden: hij zou hem opheffen om haar een lap te geven of hij zou de scherven van het gevallen pintglas beginnen samenrapen. Hij koos voor da laatste. Daarmee kwetste hij nie zijn dochter maar wel zichzelf want hij sneed zijn trillende vingers aan een stuk glas. Hij keek verbaasd naar ‘t rode puntje bloed op ‘t toppeke van zijn wijsvinger, stak het in zijn mond, zoog erop en probeerde ondertussen ook nog te spreken: ‘Ewawieits?’
‘Wadde?’
‘En van wie is ‘t?’ vertaalde haar ma, die het gewend was om haar vent te horen brabbelen, vooral in zijn slaap, de grootste geheimen was ze zo al te weten gekomen. Haar ma was uit haar beweegloosheid losgekomen en veegde haar handen af aan een handdoek. ‘En van wie is ‘t?’ herhaalde ze, want haar dochter had het precies nie goe verstaan. Maria stopte met kauwen. Ze keek schijnbaar ongeïnteresseerd ‘t café rond. Bij ’t raam, achter de sanseveria’s, waarda zij altijd zat om haar huiswerk te maken, zat er nu een jonge gast met een pokdalig gezicht, enfin gezicht, eerder een miniatuurmaanlandschap. ‘t Was nie duidelijk of dat hij ‘t gesprek aan den toog gevolgd had of dat hij maar een beetje voor zich uit zat te staren. Hij had de uitdrukking die ge eerder bij een koe waarneemt dan bij een mens. Ook hij kauwde, bijna onzichtbaar, maar nie op een chiclet, hij was waarschijnlijk zijn middagmaal aan ’t herkauwen. Hij zat naast zijn pa, een kleine dikzak die beenhouwer was geweest en er zelf een beetje gelijk een zwijn uitzag. Op een goede dag was hij gestopt met uitbenen en was hij overgeschakeld op het verkopen van meatdrinks, gemalen vlees aangelengd met water, eten en drinken tegelijk. Een gat in de markt, had hij gehoopt. Binnen ‘t half jaar was hij failliet. Tegenwoordig zat hij godganse dagen op café, zijn meatdrinksdebacle weg te zuipen. Als zijn zoon hem wou zien moest hij maar naar ‘t café komen, hij had thuis toch niets meer te zoeken, zijn vrouw was weggelopen met een beenhouwer die wel vlees verkocht. Zijn zoon zat nog altijd voor zich uit te staren, met een pintglas in zijn hand met daarin wa da ze mazout noemen, cola en bier, brandstof voor tieners. Maria keek hem onverschillig aan, een moment da zijn leven zou veranderen. ‘’t Is van hem’, zei ze.
‘Van hem?’ vroegen haar ma en pa tegelijk. Ze bestudeerden de jonge gast. z’ Hadden hem hier al dikwijls gezien maar hij zei nooit nie veel. Als g’ hem vroeg ‘Hoe is ‘t?’ knikte hij gewoon. Misschien was hij zelfs een beetje onnozel. ‘Kom een keer hier, jongen.’ Hij keek verbaasd naar den toog, is ’t tegen mij? ‘Allee, kom rap.’ Hij stond recht. Zijn pa had nie eens door dat zijn zoon van tafel wegging, hij zat waarschijnlijk weer op een geniaal nieuw vleesproduct te broeden. ‘Hoe lang kent g’ ons Maria al?’ vroeg de cafébaas. De jonge gast keek opzij. Maria blies een bel die even roze was als haar wangen. Ze zat een beetje onderuit gezakt op haar barkruk, ze was goe gedraaid van oren en poten, zou zijn vader zeggen, ze droeg haar blonde haren in een vettige paardenstaart, ze was schoon, vree schoon. ‘Kweetnie’, zei hij.
‘Ge weet nie hoe lang dat g’ haar kent?’ vroeg haar ma.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Nie lang.’
‘Allee, ge zijt dus een rappen’, zei haar pa.
‘Kweetnie.’
‘En hoe noemde gij?’
‘Jozef.’
‘En wa doede?’
‘Kweetnie.’
‘Ge weet gij precies nie veel. Geen wonder dat g’ haar volgestoken hebt. Gade nog naar ’t school?’
‘Ja.’
‘En wa doede daar?’
‘Houtbewerking.’
(Wordt vervolgd)
Dit artikel werd geschreven in de categorie Zeechroniqueurs
Tags: pepijn lievens, taz#2010, toneeltekst, zeechroniqueur
Reageer
velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.






