Advertentie
Jezus van Nazareth (bij Gent) 3
Geschreven op 3 augustus 2010 door Pepijn Lievens
Mijn ma nam Jozef mee naar haar kamer. Ze zaten samen op bed. Hij keek dwaas naar de affiches die tegen de muren hingen, schreeuwerige afbeeldingen van popsterren. Geen enkele affiche hing recht, ze plakten kriskras tegen de muren, maar nie onordentelijk, er was een zeker patroon in te bespeuren, daar was duidelijk over nagedacht. Zijn hand lag slap op bed. Hij draaide zijn hoofd in haar richting maar zijn ogen schoten onstandvastig langs haar heen. ‘t Licht van ‘t nachtlampje bescheen zijn gezicht, het zag er nog grilliger uit dan in ‘t daglicht. Onder dat oppervlak van pukkels school een gaaf, symmetrisch gezicht, zag Maria, maar ge moest wel vree goe kijken. Er plakten een paar pluizen op zijn bovenlip, of nee, da was zijn poging tot snor. Zijn dunne, witte lippen bewogen amper toen hij vroeg: ‘Da kind in uwen buik, dat kan toch nie van mij zijn, hé?’
Maria lachte haar luide rinkelende lach. ‘Natuurlijk nie. Hoe zouden we da gedaan hebben? Door een keer in de vlucht naar elkaar te kijken?’
Jozef boog zijn hoofd. ‘Kweetnie.’
Maria legde haar hand op de zijne. ‘Trek het u nie aan. Weet ge wa? Laat ons zeggen dat het een onbevlekte ontvangenis is.’
‘Een wat?’
‘Een onbevlekte ontvangenis, gelijk bij de moeder van Jezus Christus. Weet ge da die ook Maria noemde? Just gelijk ik.’
Jozef keek haar niet begrijpend aan. Er cirkelde een gedachte door zijn kop: Laat u nie zot maken door da wijf. Kort daarop volgde zowaar een tweede gedachte: Maar ’t ziet er precies wel een hete slons uit. Die laatste gedachte was waarschijnlijk ingegeven door de liefdevolle aanraking van zijn hand. Da was hem nog nooit overkomen. Als zijn ma hem aanraakte was het om hardhandig een puist uit te knijpen en als zijn pa hem aanraakte was het om hem een draai rond zijn oren te geven. Maria voelde zijn vingers tintelen. ‘Weet ge wa da ‘t is, Jozef? Als ‘k nie met een vent op de proppen kom, gaan z’ allemaal achter mijn gat klappen. ‘k Heb dus een vader nodig voor da kind. En gij waart den eerste aan wie da ‘k dacht. Allee Jozef, ge zult nie veel moeten doen. Doe ‘t voor mij.’ Jozef probeerde haar aan te kijken maar zijn ogen werden onvermijdelijk naar haar decolleté gezogen. z’ Had het bovenste knopke van haar blouse losgemaakt en haar borsten floepten er bijna uit.
‘Komaan Jozef, speel ‘t spelleke mee. En wie weet moogde dan een keer met mij spelen.’
Hij slikte moeizaam een klodder speeksel door. ‘Oké, dan.’ ‘t Speeksel smaakte naar de meatdrinks van zijn pa.
Dit artikel werd geschreven in de categorie Zeechroniqueurs
Tags: pepijn lievens, taz#2010, toneeltekst, zeechroniqueur
Reageer
velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.






