Jezus van Nazareth (bij Gent) 4

Geschreven op 4 augustus 2010 door Pepijn Lievens

Jozef had hem geschikt in zijn rol. Tegen da ze negen maanden ver was, had hij zelfs een kribbeke getimmerd. Want wa dat hij niet met zijn kop kon, kon hij wel met zijn handen. ’t Kribbeke was wel nogal groot uitgevallen, ’t was meer een soort bed, ongeveer anderhalve meter lang, met poten op wielkes, spijlen zodat diene kleine er nie uit zou totteren en schapenvacht erin. 

’t Was midden in de nacht. De telefoon rinkelde. Jozef stond op. Hij had de hoorn nog nie naar zijn oor gebracht of hij hoorde haar al schreeuwen: ‘Ge moe mij brengen!’

‘Hallo?’

‘Jozef, ge moe mij nu subiet brengen!’

(…)

‘Zijde daar nog?’ 

‘Waar?’  

‘Jozef godverdoeme, haast u naar hier.’

‘Naar waar?’ 

‘Naar mij, in ’t café.’ 

‘Maar ’k sta hier in mijn pyama.’ 

‘Schiet u dan een broek aan en zorgt da g’ hier zijt.’

‘Waarom?’ 

‘Waarom? Zijde nie goe wakker misschien? Omda ‘k op bevallen sta, tiens. ‘k Moe naar ’t hospitaal. Diene kleine zijn kopke steekt er precies al uit.’ 

‘Oei.’

‘Inderdaad, oei. Zorgt dus maar da g’ hier in één twee drie staat.’ 

‘Maar tegen da ‘k bij u ben is ’t misschien al te laat. Kan er niemand van ’t café u rap brengen?’ 

‘Maar jongen toch, ’t is zaterdagnacht, die zijn hier allemaal zo zat als een kanon. ‘k Heb geen goesting om een autoaccident te hebben, subiet schiet diene kleine eruit, vlam door de voorruit.’

‘Belt anders Fernand, de taxichauffeur?’

‘Just gelijk da ‘k daar zelf nie aan gedacht heb. Fernand staat hier in zijn onderbroek op den biljarttafel. Moest ik zelf kunnen rijden, ‘k had al lang zijn autosleutels gepikt.’ 

‘Ik kan ook nie rijden.’ 

‘Da weet ik ook wel maar ge kunt mij tenminste ondersteunen.’ 

‘‘k Heb een idee.’ 

‘Wadde?’ Da was den eerste keer da Maria hem da hoorde zeggen. 

‘‘k Heb een idee. Wacht op mij, ik kom af.’

Maria maakte twee cafétafelkes leeg door er haar arm op te leggen en al wat er opstond van te maaien. Lege glazen en asbakken kletterden tegen de grond. Het geluid overstemde de jukebox nie eens. Ze schoof de tafelkes tegen elkaar en ging erop liggen, da was de meest comfortabele houding om de stekende pijn in haar onderrug te onderdrukken. Rond haar werd de zoveelste wankele polonaise ingezet. Ze beet op haar onderlip tot da ze bloed proefde. Ze kreunde nie, ze vloekte, zo luid dat de tafelkes kreunden. Slechts één van de nachtbrakers merkte haar op en kwam naar haar toe, de vader van Jozef. Hij lispelde: ‘Voeldu nie goe?’ 

‘Laat mij met rust.’ Ze peinsde er nie over om zich tijdens haar bevalling te laten bijstaan door een mislukte beenhouwer. 

Ze zag Jozef niet binnenkomen, opeens stond hij naast haar. Achter hem aan sleepte hij een enorme kribbe. ‘Wat is da?’

‘Om u in te vervoeren.’ Hij pakte Maria op van de cafétafelkes. Hij stond te trillen op zijn benen, zo zwaar was ze. Amai, da moeten stevige tafelpoten zijn, waarschijnlijk eik, schoot het door zijn kop. Maria zwaaide met haar armen. ‘Zet mij verdomme neer.’

‘Mag nie, kind gaat eruit floepen.’

‘Smijt mij dan in die kribbe.’

‘Da was ik van plan, maar… zwaar.’

Boink.

‘Lig ik erin?’ Maria had haar ogen dicht gedaan.

‘Ja, ge ligt erin.’

Ze deed haar ogen weer open. Jozef stond voorovergebogen. Hij keek of dat de poten van zijn kribbe het nie begaven, ’t was maar gemaakt van jong hout. Ze bogen nie door. Ook de wielkes plooiden nie. Gelukkig maar.

‘Awel, waar wacht g’ op? Rij mij naar buiten.’ Maria had zich zo goed en zo kwaad mogelijk in ‘t schapenvacht genesteld. Haar benen hingen over de spijlen, uit de kribbe. Haar rug deed zeer. Haar bekken kraakte. Ze sloeg in een kramp. Ze stond op ontploffen. Jozef duwde haar met volle kracht ’t café uit. De kribbe met de vleesberg hobbelde over den dorpel. Buiten hield Jozef al halt. ‘Waar naartoe?’

‘Naar Gent.’

‘Naar Gent? Hier in Nazareth hebben we toch ook een hospitaal?’

‘Ja, maar geen goei.’

‘Geen goei? Ik ben daar geboren.’

‘’k Zeg het toch: geen goei. ‘k Wil naar ’t hospitaal in Gent, daar kennen ze me nie.’

‘Maar daar gaan we nooit op tijd geraken.’

Inderdaad.

Ze waren nog maar just buiten Nazareth, welgeteld zeven straten ver, of Maria zei: ‘Ge ga moeten stoppen, dat is hier voor elk moment’. Jozef keek radeloos in ’t rond. Een donkere veldweg, geen huis te bekennen. Hij wilde ommekeer maken.

‘Stop met duwen, zeg ik u, ge weet gij zeker nie hoeveel zeer da dat doet?’ Ze stonden stil in ’t midden van de kasseiweg. De enige beschutting die hij zag was een aftands buskotje. ’t Had al jaren geen dienst meer gedaan. ’t Had een golfplaten dak en drie krakkemikkige wanden. Ervoor stond een verroeste paal, scheef in de grond, daaraan hing een bordje, de letters waren half weggevaagd door de tijd en in den donker nie te lezen. Jozef duwde de kribbe zo voorzichtig mogelijk onderdak. Maria was gestopt met schreeuwen. Ze zag zo rood als een tomat. Haar ogen draaiden weg. Lucht ontsnapte geluidlood van tussen haar samengeperste lippen. Ze had haar benen ontbloot en opgetrokken. Met enige schroom keek Jozef tussen haar dijen. Eerst zag hij alleen maar een zwarte plas, bloed. Toen herkende hij de ronding met donshaar, mijn kopke. ‘Hou mij vast.’ Jozef greep haar handen. Ze zette haar voetzolen tegen de spijlen van de kribbe en trok uit alle macht aan zijn handen, hij dacht da zijn schouders uit hun kommen gingen vliegen. Een kreet vanuit ‘t diepste van haar buik. Hij voelde ’t speeksel spetteren in zijn gezicht. Of nee, da was geen speeksel, da was vruchtwater. Mijn kopke was er nu helemaal uitgeperst en begeleid door een ultieme schreeuw volgden mijn schouderkes. Voor da Jozef het goe en wel door had lag ik te spartelen tussen haar benen. ‘t Ochtendlicht kwam ondertussen in de lucht gekropen. De letters op ‘t bordje aan de verroeste paal voor ’t buskotje werden uitgelicht. Er stond op: Halte Betlehem. 

(Wordt vervolgd)

Dit artikel werd geschreven in de categorie Zeechroniqueurs

Tags: , , ,

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond