Advertentie
Jezus van Nazareth (bij Gent) 5
Geschreven op 6 augustus 2010 door Pepijn Lievens
Nadat Jozef met zijn Zwitsers zakmes de navelstreng had doorgesneden en mijn eerste huilbui was gesmoord door een gigantische tepel in mijn mond te proppen, stond Jozef, de vader die de vader nie was, tegen een gammele wand van ‘t buskotje geleund. Hij keek naar de hemel, er fonkelde een grote ster, ‘t daglicht kreeg hem maar nie weggevaagd, hij zou daar heel den dag blijven fonkelen.
Aaooh.
Jozef werd bevangen door het universum. Hij droomde van een houten stad.
Aaooh.
Houten huizen met houten daken.
Aaooh.
Houten mensen die nie kunnen spreken.
Aaooh.
Ze rijden in houten auto’s over houten wegen.
Aaooh.
Ze timmeren houten kinderen.
Aaooh.
Maar wat is dat ambetante geluid eigenlijk? ’t Is precies of Maria veranderd is in een balkende ezel. Jozef draaide hem om. Verdoeme. Maria was inderdaad veranderd in een balkende ezel, met een wollige vacht en een ossenstaart. Of nee, toch nie. Ze lag nog altijd in de kribbe met het kind aan haar borst. Ze was omringd door een paar nieuwsgierige schapen, een os die met zijn staart de vliegen verjaagde en een ezel die haar warmte toe blies. Een idyllisch tafereel zoude kunnen zeggen. Tot da Jozef kwam aangestormd. ‘Maakt dade wegkomt, vuile beesten!’ Hij gaf ze een paar welgemikte schoppen. Met veel tegenzin en niet zonder nog een keer schaapachtig achterom te kijken, keerden de beesten terug naar hun wei. ‘Kom, ‘k breng u naar de kraamkliniek.’ Maar just als Jozef de kribbe uit ‘t buskotje wilde manoeuvreren, hoorde hij een stem: ‘Maar kijkt een keer wat een schoon kinneke.’ En nog een stem: ‘’t Is gebraakt en gespogen zijn mama.’ En een derde stem: ‘Ahkiediekiediekiedoe.’ Drie venten stonden over de kribbe gebogen. Een zwarte en twee witte. Dien ene witte had een kroon op zijn kop, precies alsof da ’t zijn verjaardag was. Dien andere witte had lang haar en een baard, een hippie. Die zwarte zei alleen maar ‘Ahkiediekiediekiedoe’, hij sprak waarschijnlijk nie goe Vlaams. Duidelijk drie zotten die weggelopen zijn uit ‘t gesticht, concludeerde Jozef. ‘Maakt dade wegkomt, dat is hier geen toeristische attractie, hé. Ziede nie da moeder en kind uitgeput zijn? ‘k Moet ze dringend naar de kliniek brengen.’
‘Hola, hola, kalm Jozef.’
Hoe kennen die gasten mijn naam?
‘We zijn speciaal naar hier gekomen om efkes goeiedag te komen zeggen.’
Wow. Die gasten wisten da wij hier waren.
‘Ge staat hier eerst een halfuur te dromen over een houten stad en wij zouden nog geen cadeautje mogen overhandigen.’
Die gasten kunnen mijn gedachten lezen. Shit. Nie aan vuile manieren denken. Nie aan denken. Maar als ik denk da ‘k er nie aan mag denken, denk ik er al aan. Shit.
Die witte met zijn kroon frunnikte aan zijn pols. Hij hield zijn gouden horloge in de lucht. ‘t Schitterde in een veeg zonlicht. ‘Dat is voor diene kleine, dat er hem nooit iets zou ontbreken in zijn leven.’
‘Dat is zekerst da’, zei Maria terwijl dat ze den horloge aannam. ’t Eerste da ze ging doen als z’ uit de voeten kon, was den horloge verkopen voor veel te weinig geld om in de plaats schmink te kopen in fluorescerende kleuren. In plaats van mij een beter bestaan te geven, liep ze dus jaren rond gelijk een kerstboom.
Die zwarte overhandigde haar een fleske. Hij gebaarde da ze d’ eraan moest ruiken. Een parfum van zoete mirre. ‘Merci’, zei ze, maar ze dacht dat hij haar da gaf omdat ze zo vreselijk stonk, naar bevallingszweet, ranzig bloed en placentaresten. Toch was ze content, ’t was den eerste keer in haar leven da ze parfum rook, iets helemaal anders dan die goeikope deodorant. ‘En gij? Wat hebde gij mee?’ vroeg ze aan die hippie. Hij stond een beetje verdwaasd in ’t rond te kijken. Typisch zo’n schooier die peinst da zijn bezoekske alleen al een cadeau is. Waarschijnlijk heeft hij niets bij. Of misschien een zelfgemaakt armbandje, gevlochten van een rietstengel. Of wie weet een brokske biologische teenkaas, om in een vegetarisch slaatje te draaien. Hij krabde in zijn baard. Nee, hij heeft gewoon niets mee, de gierigaard. ‘Euh, misschien kunde dat hier gebruiken?’ Uit de borstzak van zijn gebloemd hemd haalde hij een armzalig wierookstokske. Allee, nog één die vindt da ‘k stink. ‘Merci’, zei ze, terwijl da ze ’t uit zijn handen snokte. ‘En nu is ’t tijd om naar de kraamkliniek te vertrekken. Kom Jozef, geef ons een duwke.’
In de kraamkliniek legden ze mij in een proper beddeke. Een verpleegster vroeg aan Jozef: ‘En wat is de naam van da kinneke?’
‘Kweetnie.’
‘Kweetnie, da’s een speciale naam. Hihihihi.’ ’t Was een humoristische verpleegster.
Jozef had het nie helemaal begrepen. ‘Nee, kweetnie is nie zijn naam, kweetnie is … kweetnie.’
Mijn ma was rechtop gaan zitten in haar bed en sprak met overtuigende stem: ‘Jezus moet hij noemen!’
‘Jezus, da’s ook speciaal. Hihihi.’
‘Nee, ‘k meen het, dat is een geschikte naam.’
Ze noemde mij Jezus! Wie noemt er nu zijne kleine Jezus? Een naam is gemakkelijk gegeven maar om hem te dragen is ’t verdomme veel lastiger. Jezus! Ziede ’t al voor u? ‘Amai uwen Jezus heeft al veel haar, wanneer gaat hij zijn baard laten staan?’
‘Amai uwen Jezus heeft goeie punten voor godsdienst. Hoe zou da komen?’
‘Ah Jezus, wa wilde gij drinken, een glaske water? Dan kunde ’t zelf veranderen in wijn.’
Daar had mijn ma precies nie bij stil gestaan. Ofwel was ze d’ er van overtuigd geraakt dat hare kleinen echt de wedergeboorte van Christus was. Ze was zij ook op een verdwaalde zondag wel een keer in een kerk geweest, hé. Ze kende zij ook de verhalen van Jozef en Maria, van een geboorte in een soort stal, van een os, een ezel en een schaap, van de drie zogezegde wijzen. Dat kon toch allemaal geen toeval geweest zijn, moet ze gedacht hebben. Dus ga ‘k mijne kleine maar Jezus noemen, voor de zekerheid, met God valt nie te spotten. Jezus! Maar daarmee was ’t nog nie gedaan, hé. Zegt die verpleegster: ‘Allee dan, Jezus, dat is genoteerd. En wat is zijn achternaam?’
Daar had mijn ma nog nie bij stilgestaan. ‘Zeg Jozef, hoe noemde hij eigenlijk met uw achternaam?’
‘Christiaens.'
‘Perfect, da kan nie beter kloppen. Jezus Christiaens.’
Maar voor de rest heb ik mij dat allemaal nie te veel aangetrokken. ‘k Was ’t als kind gewend dat als ze vroegen hoe da ‘k noemde en ‘k zei ‘Jezus’, da ze dan in een lach schoten, zich soms verslikten, of heel af en toe over de grond rolden. ‘k Dacht dat da normaal was. ‘k Lachte mee. En als ik aan een kindje zijn naam vroeg en hij zei ‘Jürgen’, dan begon ik ook keihard te lachen, uit beleefdheid. Maar al gauw was de nieuwigheid er af. Als g’ in een klein dorp woont raakt ge rap gewend aan elkaar, en aan elkaars vreemde gedragingen of vreemde namen. En voor da ge ’t weet beschouwd ge ’t als normaal. Ik was Jezus, Jezus van Nazareth. Punt uit.
(Wordt binnenkort vervolgd in een theater bij u in de buurt)
Dit artikel werd geschreven in de categorie Zeechroniqueurs
Tags: pepijn lievens, taz#2010, toneeltekst, zeechroniqueur
Reageer
velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.






