Advertentie
Over LEZEN en KIJKEN. En theaterschrijven.
Geschreven op 2 juli 2010 door Michael De Cock
Congo is een beladen onderwerp. Dat hebben we kunnen merken de laatste weken en maanden. Het krampachtige, stille bezoek van onze vorst aan het land heeft dat eens te meer pijnlijk duidelijk gemaakt. Er was een statement nodig, er was geen statement nodig, de koning moest gaan, de koning moest zwijgen, de koning moest thuisblijven... eindeloze meninkjes en opiniebijdragen waarin diplomatie, mensenrechten, geschiedenis, ethiek en pragmatiek strijden om het voorplan of de logica van de redenering bepalen.
Zelfs wie niets zegt, kan toch heel wat fout zeggen, blijkt eens te meer uit het bezoek van onze stilzwijgende koning.
Nu zou Congo mij intussen misschien al de oren uitkomen, ware het niet dat ik dankzij een theatertekst van zo'n honderd jaar geleden mij er toch al een poos mee onledig heb gehouden. Een tekst van Mark Twain. Juist. Die Mark Twain. Die van Tom Sawyer en Huckleberry Finn. En wat voor een tekst. En hoe een complexe oefening die visie, door de bril van een Amerikaan, vandaag te brengen, vijftig jaar na de onafhankelijkheid.
Mijn oog viel op een artikel in rekto:verso. Over Congo. En over de voorstelling die we daar rond gaan maken, en die debuteert op TAZ. We speelden al een aantal open try-outs in april in 't Arsenaal. Dat het stuk nog in première moet gaan op locatie, belet Sébastien Hendrickx, de schrijver van het artikel niet in drie regels nu al een verdict te vellen. Nu, eerlijk gezegd, dat vergeef ik hem met graagte. Dat hij dat zonder argumenten doet, en dat hij de waarheid naar believen naar zijn eigen hand zet, is dan weer wat anders. De auteur begint met te zeggen dat hij niet veel van Congo kent, en vervolgens zie je hem drie bladzijden lang naar adem happen en wild om zich heen citeren om die beginstelling overvloedig kracht bij te zetten. Ik ben beter gewoon van rekto:verso.
Met een citaat van David Van Reybrouck – wiens visie en geest de hele tekst domineert – argumenteert Hendrickx dat het ‘zelfkastijding’ zou zijn van de Belgen, of ‘een postkoloniaal trauma...'… om almaar weer in te gaan op de wandaden van Leopold in Congo. Dat slaat in het geval van onze voorstelling werkelijk nergens op. Dat men nu eindelijk eens ophoudt met dat postkolionale trauma. Ik moet de eerste mens van mijn generatie met een postkoloniaal trauma nog tegen het lijf lopen.
In één pennenstreek en zonder één enkel argument trekt de auteur van het artikel bovendien ook nog de literaire kwaliteit van Twains pamflet in twijfel. Deze blog, deze site, is misschien een goede plek om een lans te breken voor de auteur die geboren werd in hetzelfde jaar dan Leopold en één jaar later stierf. En het tevens een goed moment het te hebben over lezen en kijken. En semiotiek. En hoe moeilijk en complex dat soms is.
In de tekst in rekto:verso wordt koudweg gesteld dat Leopold niet nog eens van zijn sokkel gehaald moet worden, omdat everybody already knows... (Eigenlijk, vooreerst, zal het met deze voorstelling niet onze bedoeling zijn Leopold van zijn sokkel te halen. Dat doet hij immers zelf wel, zo gauw je over zijn passage in Congo begint. Maar alla…) Dat het niet meer nodig zou zijn weet ik niet zeker. Heeft die jongen de laatste weken dan niet naar het nieuws geluisterd? Toen ik vorige week de meningen van Louis Michel te horen kreeg, en vervolgens Vrt-Congo-kenner Peter Verlinden in 'Ongehoorde meningen' op radio 1 hoorde, heb ik zo mijn twijfels. Nog in Knack deze week verwijst Rik Van Cauwelaert naar historicus Jean Stengers en de ‘collectieve amnesie’ die vele Belgen overvalt als het over Congo gaat.
Volgens velen zijn de doden die Leopold II op zijn geweten heeft in Congo 'collateral dammage'. Hij ging wel over lijken, maar de lijken op zich waren niet zijn doel … zoiets dus. In tegenstelling tot, bijvoorbeeld, Hitler. In twijfel trekken dat hij over vele lijken ging, of het cijfer dat vooropgesteld wordt door sommige historici ontkennen 'omdat er toen nog niet zoveel Congolezen waren' en vervolgens het niet meer over de vermeende gruwel van het Leopold-bewind hebben, maar over de historische fout, is op zijn zachtst gezegd ethisch laakbaar. Misschien is het dus nog wel nodig het er nog over te hebben. Misschien blijft het altijd nodig om de wandaden uit het verleden opnieuw tegen het licht te houden…omdat velen, zoals ook de auteur van de tekst in rekto:verso, duidelijk illustreren en bekennen niet te weten.
Mark Twain schreef ‘De alleenspraak van koning Leopold’ om onze koning in zijn hemd te zetten. Hij wilde – gebruik makend van zijn naam en faam als auteur – internationaal bekend maken wat Leopold II allemaal uitspookte in de Congo-vrijstaat. Hij schreef zijn pamflet met andere woorden met een heel duidelijke bedoeling. Twain schreef De alleenspraak van Leopold II in het begin van de twintigste eeuw. Een ongemeen boeiende periode. De wereld stond op ontploffen. De despoten die de macht moesten in Europa één voor één plaatsmaken voor nieuwe systemen. De Russische revolutie en de eerste wereldoorlog hingen in de lucht. In Rusland schrijft Tsjechov op een paar jaar tijd een wereldoeuvre bij elkaar. Haast op hetzelfde moment schrijft in Amerika één van de belangrijkste Amerikaanse auteurs een tekst over een Belgische vorst, godbetert. Het lijkt vandaag ondenkbaar. Wat een boeiende tijd.
De fascinatie van Twain voor Congo en de onderdrukking van de bevolking is onmogelijk los te zien van de strijd voor burgerrechten en het afschaffen van de slavernij in Amerika. In de romans van Twain en in het wereldberoemde Uncle Tom’s Cabin wordt dat in de tweede helft van de negentiende eeuw immers een heus thema in de Amerikaanse literatuur. In mijn jeugd las ik dat soort boeken. U moet de De negerhut van oom Tom nog maar eens ter hand nemen. Interessant. Hoe de neger van dienst ook steevast een goede neger is... en hoe de auteurs van die boeken hun best doen om een mentaliteitsverandering op gang te brengen. Het zegt veel over kijken naar anderen. En hoe dat op een eeuw tijd gi-gan-tisch geëvolueerd is.
De toneeltekst van Twain is atypisch opgebouwd. Geen klassieke monoloog, geen emotioneel verloop. Maar een pleidooi van iemand die door dossiers gaat met aanklachten tegen zijn bewind en zich ergert aan wat men van hem zegt. Twain citeert vaak uit rapporten die toen circuleerden en waarin getuigenissen van Congolezen of missionarissen terug te vinden waren. Een van de bedoelingen van zijn pamflet was immers de dossiers in kwestie bekend te maken bij een groter publiek. Een heel documentaire tekst is het daardoor geworden. En daardoor ook best heel eigentijds.
Dat Twain - die gekant is tegen het staatssysteem monarchie en antiklerikaal is - een Belgische vorst woorden in de mond legt, vind ik een ongemeen boeiend gegeven. Twain, een Amerikaanse mensenrechtenactivist, één van de founding fathers van de Amerikaanse literatuur, schrijft een tekst over een Belgische vorst. Een virtuele verdediging dus, of althans: de vorm van een verdediging, die inhoudelijk een tegengestelde lading dekt: het bekend maken van de aanklacht. Een oefening. Geen betere plek dan de letteren of het theater voor dat soort virtuele oefeningen.
Een pleidooi schrijven voor je wie je wilt treffen. Er zit iets in van omgekeerde psychologie. Die tekst met zijn duidelijke bedoelingen vandaag (een eeuw later) ensceneren in België... is een behoorlijk uitdagende oefening. Het is tegelijkertijd het complexe én het interessante van De Alleenspraak van Koning Leopold. Leopold voor een internationaal gerecht dagen… Dat doet Twain in zijn tekst. Wat historisch nooit gebeurde, en had moéten gebeuren (!), gebeurt in deze alleenspraak. Wat Sadam Hoessein en anderen zovele jaren later wel te wachten stond – zich moeten verdedigen voor het oog van de wereld - laat Mark Twain Leopold doen in zijn tekst.
Hij doet dus wat de geschiedenis heeft nagelaten te doen.
Om die reden ligt de foto van de woedende Sadam Hoessein in volle verdediging op de kleine tentoonstelling die je voor de voorstelling zult kunnen bekijken. Sadam Hoessein als figuur wordt dus helemaal niet vergeleken met, laat staan over dezelfde kam gescheerd als Leopold. De situatie wel. De foto’s worden naast elkaar getoond. En in de tekst wordt er naar Hoessein verwezen, in aanvulling van de hele rits namen die Twain zelf al opsomt in de originele tekst. Eenduidig analyseren dat wij beiden voorstellen als ‘één pot nat’ - zoals de auteur in rekto:verso doet - is niet goed kijken. Tekensystemen, en ze lezen. Semiotiek. (zucht) Het heeft alles met toneelschriftuur en theater te maken. Susan Sontag schreef er met Regarding the pain of others een jaar of tien geleden een interessant essay over. En ook Joke Van Leeuwen schreef erover in Een halve hond heel denken.
Het pamflet als vorm is vandaag nagenoeg teloorgegaan. Mark Twains Koning Leopolds Alleenspraak is een pamflet – een satirisch pamflet dan nog. Een hypothetische verdediging: gebaseerd op het gedachtenexperiment dat Leopold zich ooit voor een internationaal gerechtshof zou moeten verdedigen. BEELD JE IN... moet je in grote letters denken aan het begin van het pamflet. Vandaag. Dat is overigens wat theater voor mij vandaag kan zijn. Een vrijplaats, waar ideeën botsen. En dat maakt de tekst van Twain - of het nu een parel is of niet, dat oordeel laat ik graag aan anderen - een uiterst interessante literaire oefening.
Maar Twain gaat verder in zijn alleenspraak. Want de tekst gaat veel verder dan een eendimensionale aanklacht, hoewel je goed moet luisteren om dat te merken.
Zo stelt hij zich op een subtiele manier de vraag of zijn schrijven wel zin heeft. En of een pamflet, kunst, een gedicht of wat dan ook hoedanook iets kan veranderen. Het zou de vraag van iedere theaterauteur vandaag kunnen zijn. De mens maakt zich boos, zo stelt Leopold in de tekst van Twain: “Hij windt zich op, het schuim op de mond. En net als je zou denken dat hij met een steen gaat gooien… heft hij een gedicht aan.” Veel zorgen moet de koning zich daarover niet maken, aldus de vorst verderop:
Het is zoals met het kleine hondje en de sneltrein. Wanneer de koning voorbij dendert, rent de dichter er boos achteraan en keft zich een ongeluk. Vervolgens keert hij tevreden terug naar zijn mandje omdat hij denkt dat hij de koning bang heeft gemaakt. Maar in werkelijkheid weet de koning niet eens van het bestaan van de dichter af.
Maar het venijn van Twains tekst zit in de staart. Hij heeft het immers niet alleen over Leopold, maar des te meer heeft hij het over al die mensen, de onzichtbare massa’s achter de koning, die zulke gruwel mogelijk maken door hun eigen onverschilligheid en moedwillige onwetendheid, en heersers de kans geven om ongestraft hun gangen te gaan. Net zozeer als de tekst een aanklacht tegen Leopold is, stelt hij de vraag hoe zulke systemen er komen en in stand worden gehouden. Op die manier raakt Twain zoveel meer aan dan alleen de kwestie Leopold en Congo. Hij heeft het op die manier immers over alle vormen van imperialisme uit heden en verleden. Leopold citeert een tegenstander:
‘Hij verdient de woede van de hoogste en de laagste in rang, en hij verdient vervloekt te worden door iedereen, die lafaards en onderdrukkers haat. En toch... we kunnen niet uitleggen waarom, maar we wensen onze blik niet op hem te laten rusten. We wensen niet te kijken. Hij is een koning. Het doet ons pijn, en het verwart ons… en door één of ander oerinstinct zijn we beschaamd dat een koning zo laag kan vallen. En we krimpen van schaamte als we horen over zijn daden. En we willen zelfs de details niet kennen. We huiveren en kijken de andere kant op, als we er over horen of over moeten lezen…’
En hij becommentarieert:
En dat… dat is mijn bescherming. Zo bent u. Zo is het menselijk ras. En dat zal nooit veranderen. Of het nu koningen zijn, of despoten, of tirannen… altijd zal het gepeupel mensen nodig hebben, om hen de weg te wijzen. In deze of gene richting.
“De alleenspraak van koning Leopold” naar Mark Twain, gaat in première op TAZ#2010.

Dit artikel werd geschreven in de categorie Michael De Cock
Tags: congo, mark twain, michael de cock, rekto:verso, sébastien hendrickx
Reageer
velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.






