SCHRIJVEN en SPELEN

Geschreven op 19 juli 2010 door Michael De Cock

Ongeveer tien jaar geleden schreef ik mijn eerste volledige theatertekst. Firenzee heette die. Wijlen Jean-Pierre De Decker leidde het NTG nog, en had het net omgeturnd tot het Publiekstheater. Een denkoefening die een paar jaar later compleet vergeten zou zijn. Samen met een bende acteurs heb ik er toen mijn eerste tekst op de scène gebracht. In het Arca. Een fantastische theaterzaal in het hart van Gent.

Ik wilde het over migratie hebben en om een reden die ik niet meer kan achterhalen wilde ik zelf mensen interviewen, en niet zomaar wat bij elkaar krasselen van achter mijn bureau. Ik ben beginnen praten met mensen. Ik ben interviews beginnen afnemen en daar ben ik eigenlijk sindsdien nooit meer mee opgehouden. Zowel over dat als over andere thema’s.

Zo'n goeie honderd bladzijden had ik na een paar maanden. Ruwe interviews. Zonder echt te weten wat ik daarmee moest aanvangen. Na een tijdje had ik verschillende versies van alle gesprekken. Het ruwe materiaal, in de taal waarin ik de interviews afnam. Vertaalde versies, gemonteerde versies, monoloogversies. Noem maar op. Eigenlijk - als ik er nu er op terugkijk - veelal vingeroefeningen voor later. Grenzen aftasten tussen fictie en non-fictie.

Het waren Rik Van Cauwelaert en Knack die me naar de non-fictie trokken. Het waren scenograaf Stef Depover en Josse De Pauw die me uitlegden hoe ik met dat ruw materiaal theater kon gaan maken. In de laadbak van een vrachtwagen. ‘Heb je de originele tapes nog?’ vroeg Josse me. ‘Probeer die teksten te spelen. Zonder iemand na te doen. Maar met je eigen accent in het Engels.’ Dat zei hij. En ook dat ik de tekst niet te heilig moest maken. Dat ik niet bang moest zijn maar doen quoi. Eén gesprek in de Vooruit en een paar mails over en weer. Maar het is raad waar ik tot vandaag gretig gebruik van maak. Een richting die ik voelde gaf hij toen helder aan. En passant gaf hij me, net voor we afscheid namen in de Vooruit, snel de titel mee. When I first saw it on television, I didn’t understand, but now I do – een quote uit één van de interviews – vond hij wat lang. ‘Maak er Saw it on television/DIDN’T UNDERSTAND van,’ suggereerde hij.

Vandaag vragen me mensen soms naar een methode. Volgend najaar bijvoorbeeld werk ik samen met het Lemmensinstituut mee aan een project rond documentaire materiaal en theater. Ik vrees dat er geen methode of recept voorhanden is. Tenzij misschien één, luisteren en blijven luisteren. Het verhaal vertelt zich dan vroeg of laat vanzelf. Alsof het zich aan je opdringt.

Ik praatte een paar maanden terug (voor een interview) met Oscar van den Boogaard. (Ik geloof dat hij het was, want voor een boekenprogramma op ATV praat ik wel met meer schrijvers op een jaar.) Alleszins, hij vertelde me dat hij het gevoel had dat het verhaal dat hij aan het schrijven was, of het nu om een roman of een stuk gaat, er al is. Dat het ergens in de lucht hangt. En dat de kwestie niet is van het te verzinnen, maar van het uit te kristalliseren. Ik heb ook dat gevoel. Ik bedoel dit op geen enkele manier romantisch. – Hij ook niet overigens. Zoals een beeldhouwer een beeld dat al onder de steen zit uit de steen kapt. Zo haal je verhalen van onder de werkelijkheid vandaan.

De woorden van Oscar van den Boogaard, de raad van Josse… op een bepaalde manier zeggen ze hetzelfde. En zo gaat het ook met regisseren.

Tien jaar na die eerste interviews sta ik in een hangar en maak ik theater van een ontmoeting die ik had met een illegaal in Oostende. Een ontmoeting die diep onder mijn vel zit. Ik volgde de Algerijnse man  een paar maanden in 2009. Intussen is hij een vriend geworden. Ik zag hem vanuit Oostende naar het gesloten centrum van Merksplas vertrekken. En drie maanden later via Brussel opnieuw naar Oostende. Tot hij uiteindelijk in Engeland geraakte. Met Stephan Vanfleteren zocht ik hem op in Londen. We maakten er reportages over en een boek.

Nu is dat verhaal de basis voor een stuk. Met twee acteurs en zeven getalenteerde muzikanten uit heel Europa. De taak die voorligt, is niet makkelijk, maar razend interessant: ervoor zorgen dat mijn verhaal nu ook hun en ons verhaal wordt. Dat is de opdracht. De enige kans op slagen.

Schrijven en regisseren. Het is niet altijd een evident huwelijk. Je eigen teksten regisseren is best uitdagend maar het maakt de situatie er vaak niet makkelijker op. Op iemand anders tekst kan je à volonté sakkeren en vloeken. Je kijkt met een ploeg spelers samen naar het werk van een ander en zegt hoofdschuddend –om je eigen onvermogen tijdens het repeteren te maskeren - welke steken Tsjechow of Molière hebben laten liggen.

Met een tekst van jezelf is de relatie complexer. Ik merk het nu opnieuw met HAVEN010. Hoewel de geënsceneerde situatie tussen Ruud en Mourade anders is dan mijn relatie met de échte Mourad een jaar terug in Oostende, herken ik zijn woorden achter alle woorden die Mourade Zeguendi nu uitspreekt. Er is vertrouwen voor nodig.

Wat mooi is aan dit project is dat het verhaal intussen al verder is gegaan. Met Stephan Vanfleteren ben ik gestopt in Londen. We bezochten Mourad en zagen hoe hij leeft vandaag. Met Mourade Zeguendi, Judith Vindevogel, Stef Depover en dramaturge Kristin Rogghe gingen we terug naar Londen om te praten met Mourad.

Maar het ging nog verder. Want Mourade Zeguendi zocht de ouders van de andere Mourad op in Algerije, toen hij er moest zijn voor de promotie van een film. Hij bezocht zijn familie, en legde uit hoe het intussen ging met Mourad in Londen.

Het bezoek van Mourade leverde ontroerende beelden op. Maar wat nog belangrijker is. Hij wordt actief deel van het verhaal dat ik begonnen ben.

Hij hoeft nu niet langer gewoon te spelen.

Het is nu, net als mijn, ook zijn verhaal.

 

 

Dit artikel werd geschreven in de categorie Michael De Cock

Tags: , ,

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond