Bulger : Een ontoelaatbaar verhaal

Aantal personages
Mannen: 1
Vrouwen: 2

Personages
Ramses, Shanya, Justine

Structuur
18 opeenvolgende scènes

Genre(s)
Jeugdtheater

Ruimte
Hedendaagse leefwereld van jongeren

Tijd
Chronologisch verhaal dat zich over een tiental jaren uitstrekt

Synopsis

Dit stuk is gebaseerd op de moord op de kleine Jamie Bulger in februari 1993 door enkel tienerjongens. Tindemans bewerkte dit voorval tot een tekst over de gruweldaden die verwaarloosde kinderen (met een hoofd vol fantasie en een hart dat geen liefde krijgt) kunnen plegen.
De tekst is een typisch voorbeeld van een vrij filmisch gemonteerde tekst waarbij de verwijzing naar de gebruikte multimedia op de scène uitermate belangrijk zijn.

De toneeltekst Bulger  is verschenen bij De Nieuwe Toneelbibliotheek en kan online besteld worden : http://www.denieuwetoneelbibliotheek.nl


Scène 3


In het bos. Ramses en Justine spelen met spelden en wormen. Justine prikt een worm op, prikt dan in Ramses zijn arm.


Ramses: Au. Wat doet gij nu?


Justine: Dat is het spel. Als ik één worm heb opgeprikt met mijn speldje, dan mag ik u prikken. In uw armen of in uw benen. Als gij dan ‘au’ roept, dan mag ik nog een keer.


Zij prikt Ramses nog een keer, in zijn been.


’t Is aan u!


Ramses doet nu hetzelfde. Hij prikt de eerste keer hard. Justine slaakt een kreet. De tweede keer houdt ze zich sterk. 


Soms is ’t precies alsof ik helemaal niks voel.


Ramses: Soms doen de mensen alsof ik er helemaal niet ben.


Shanya komt aanlopen met een muis.


Justine: Gij weer! Waar komt gij eigenlijk vandaan?


Shanya: Ik kom van de maan.


Ramses: Ik kom ook van de maan.


Shanya: Ik heb u daar anders nog nooit gezien.


Ramses: Zij komt ook van de maan. Maar ze weet dat nog niet.


Justine: Zwijgt, onnozelaar. Die zit in zo’n tehuis.


Shanya: Die beesten graven gangen. Alle huizen gaan instorten. Alle straten zakken weg. Gelijk een aardbeving.


Justine: Moet gij niet in uw tehuis zijn? Bij uw namaakmoeders? 


Shanya: Ik moet nooit nergens zijn.


Ik moet de wereld redden van ongedierte.


Ramses: Wat gaat ge doen met die muizen?


Shanya: Opensnijden, de beentjes eruit halen, drogen en in een speciale bokaal bewaren.


Justine: Alleen maar muizen? Alleen maar kleine beestjes met kleine ogen. Waarvan ge niet eens kunt zien of ze wel echt naar u kijken.


Shanya: Ik kan alle dieren doodmaken. Kikkers die verplettert ge tot moes, eekhoorns die steekt ge in brand.


Justine: Er zijn hier geen eekhoorns, hier in ’t stad.


Shanya: Dan denkt ge. Eén van die muizen is eigenlijk een eekhoorn zonder staart.


Ramses: Hebt gij een eekhoorn in brand gestoken? Toen hij nog leefde?


Justine: Ze liegt. Al die muizen hebben een staart. 


Shanya: Venijnige dieren, dat is lastig. Gelijk katten, of nog erger, honden. Dan moet ge zelf ook venijnig zijn. Een plan maken om ze dood te doen, traag maar zeker. Met vergif in hun eten. Rattengif. Of, als ge tijd hebt en een goed plaatske vindt, ze dood martelen. Eén voor één hun poten breken, of hun ogen eruit lepelen, of een stukske verbranden.


Justine: Gij zijt ziek, daarom zit gij in een tehuis. Gij hebt zeker uw moeder doodgemarteld. Ik ben hier weg.


Shanya: Muizen, die smijt ik het liefst tegen de muur, één keer, als ’t niet genoeg is, twee keer of drie keer. Tot de hersenen eruit splashen. Als ze maar goed kapot zijn.


Ramses: Waar hebt ge die gevonden? Zitten er geen microben aan? 


Justine: Blijft er af, dat mens is zot. Zot zijn is besmettelijk.


Telefoon Justine rinkelt. Telefoongesprek en gesprek tussen Ramses en Shanya lopen door elkaar.


Shanya: Deze zat in een muizenval, op de zolder. Nek gebroken. Ze was al uitgedroogd. Gelijk een mummie. 


Ramses: Ik weet niet. Stinkt dat niet van binnen? 


Shanya: Muizen zijn stom. Te weinig haar en te weinig beentjes.


Justine: Niet elke vijf minuten, mama.



Ge weet toch waar ik ben.



Met Ramses, zoals gewoonlijk.



Om zes uur, zoals altijd. Dat weet ik toch.



Nee, niemand tegengekomen.



Nee, geen mannen.



Nee, zeker geen zwarte anorakken.



Stuurt een SMS-ke om vijf voor zes. Als ge dat echt wilt.


Shanya komt aanstormen en zet zich tussen de twee.


Shanya: De vijand nadert!!!


Justine: Nee, ma, maakt u niet ongerust.



Dat was gewoon iemand dat ik ken.


Shanya: Dag mama!


Justine: Die kent gij toch niet.


En houdt nu op. Tot straks, ma.


Legt telefoon in.


Zaag!


Ramses: Welke vijand? Waar zitten die dan?


Shanya: Overal, ge kunt ze niet zien. Maar ze zijn er.


Justine: Kunt gij de kopstand? Shanya doet het.


Kom, Ramses.


Shanya in het water.


Shanya: Ge doet uw ogen open. Ge ziet allemaal zwart. Ge zoekt naar een beetje licht. Maar het blijft zwart. Omdat het allemaal in uw neus en uw mond kruipt. Geen licht, geen lucht. Ge zoekt naar uw laatste woorden. Kan ik iets zeggen? Kan iemand iets horen?


Ramses: Waart ge dan aan ’t doodgaan?


Shanya: Ik ga heel rap dood. Ge kunt u maar beter voorbereiden. Ge moet iets zeggen dat indruk maakt, iets dat het leven van uw vrienden verandert.


Justine: Moet ik u er nog eens ingooien, zottin? Of gooide gij mij erin? Durfde gij dat?


Shanya en Justine in het water.


Shanya: Gij hebt mijn leven gered. 


Justine: Dikke zever. Ik kan ook niet zwemmen. 


Shanya: Gij gooit mij erin en gij haalt mij eruit.


Justine: Morgen nog eens?


Ramses: Ik wil niet verdrinken. Dan hoort niemand wat ge zegt. Ik wil uit een boom vallen. Of van het dak van ons huis. Op mijn rug. En met mijn mond open.


Justine: Ik wil begraven worden in een open kist. Dan kan ik er nog uit als het moet. En dan strooit iedereen bloemen op mijn gezicht.


Shanya: En zand.


 


Scène 12


 


In een winkel met babyspullen.


Justine: Hier valt niks te zien. Papflessen en kinderwagens.


Shanya: Ik heb een klein broertje.


Justine: Waar zit dat dan? Ook in een tehuis.


Shanya: Ik wil een klein broertje.


Justine: Ik een grote. Om harder terug te slaan. Ge moogt onze kleine hebben, ik moet die toch altijd meesleuren.


Ramses: Kijkt rond u. Kinderen genoeg. Pakt er dan één!


Justine: Te klein.


Shanya: Ik wil er één zonder moeder. Ik wil er zelf voor zorgen. Ik kan dat. Als hij maar niet teveel weent.


Ramses: Mijn zuster heeft mijn wieg omgegooid, toen ik klein was. Ze heeft nog nooit zoveel slaag gekregen. 


Shanya: Ik wil een leger van kleine broertjes. En als ze kunnen lopen moeten ze ook direct leren paardrijden. Of op pony’s. 


Justine: Kom, we gaan ze pakken. We kunnen ermee doen wat we willen, want ze vergeten alles direct, die mannekes. 


Ramses: Eerst de moeders wegjagen.


Justine: Dat is niet nodig. Die kleine mannen lopen vanzelf weg. Daar is een moeder aan het roepen. Wij zien haar kind, maar zij niet.


Shanya: Komaan, Ramses. Gij zijt de jongste, gij ziet er het braafst uit. Ze pakken een kind mee.


 

Opvoeringsgeschiedenis
Bulger (2006 door BRONKS)

Auteursrechten
De rechten worden beheerd door SABAM.

Foto's