Advertentie
Aantal personages
Mannen: 5
Vrouwen: 10
Structuur
16 scènes
Genre(s)
Andere
Ruimte
Onbepaald
Tijd
Onbepaald
Synopsis
De macht der theaterlijke dwaasheden is het derde luik van Fabres theatertrilogie waarin hij het theatermedium zelf als onderwerp nam. Hij doorbrak de theatertraditie door real time performance te integreren in de voorstellingen.
In deze ondertussen historische voorstelling ondergraaft Fabre de wetmatigheden van het reguliere theater en stelt hij het iconische karakter van het theater en de beeldende kunst aan de kaak. De vele verwijzingen naar belangrijke kunsthistorische gebeurtenissen – de tekst van de voorstelling bestaat uit de titels van belangrijke theatervoorstellingen, de namen van de auteur en van de regisseur, én de premièreplaats – geven de voorstelling meteen een plaats in de kunstgeschiedenis. Herhaling is de stoorzender en het publiek wordt geconfronteerd met een sterke, soms extreme lichamelijkheid.
Daar waar Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was de werkelijkheid in het theater binnenhaalt, sluit Fabre hier de werkelijkheid juist buiten. De macht der theaterlijke dwaasheden is de ontbloting van de illusie en de fictie van het theater. De theatrale leugen wordt hier getoond door allerlei trucs, zoals het veelvuldig sterven en tot leven komen, geblinddoekt schermen, platgetrapte kikkers... . De nieuwe kleren van de keizer, het bekende sprookje van H.C. Andersen, vormt de rode draad van de voorstelling én is meteen ook de metafoor voor theater zoals Fabre het begrijpt: de kunst van de leugen waaraan het publiek medeplichtig is want het wil immers bedrogen worden.
De macht der theaterlijke dwaasheden is het derde theaterscript van Jan Fabre naast Theater geschreven met een ‘k’ is een kater en Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was. Opvallend aan deze theaterscripts zijn de gedetailleerde omschrijvingen van de ensceneringen. Dankzij deze scripts is het nu voor ons mogelijk om een beeld te geven van deze opvallende voorstellingen van Jan Fabre.
De macht der theaterlijke dwaasheden werd opgetekend door Jan Fabre en Maart Veldman.
De macht der theaterlijke dwaasheden verscheen in boekvorm in de anthologie Ik ben een fout, theaterscripts en theaterteksten 1975-2004 bij Uitgeverij Meulenhoff | Manteau, met ISBN-nummer 90 5990 025 1.
SCENE 7
Rekwisieten: Vier rode vuilnisblikken met vier stoffers. Twee zwarte haarbanden.
Kostumering: Acteur 4 en Acteur 10 dragen het basiskostuum zonder jasje. Acteur 7, 2, 3 en 8 en Actrice 3 dragen het basiskostuum. Actrice 3 draagt een zwarte bh. Acteur 5 is naakt met kroon en scepter. Actrice 1 en Actrice 2 dragen het basiskostuum zonder jasje.
Toneelbeeld: Op de toneelrand balanceren Acteur 10 en Acteur 4 onder de brandende lampjes 1 tot en met 5. Achter hen staat een rij van zes acteurs te midden van de scherven van zestig borden. Tegen het projectiedoek staat Acteur 5 onder het brandende lampje 21. Op het projectiedoek is de dia van het schilderij Salomé ontvangt het hoofd van Johannes de Doper van Luini, in kleur, te zien.
De acteurs in de rij onder lampjes 11, 12 en 13 komen naar voren en gaan, op gelijke afstand van elkaar, langs de toneelrand staan. Achter hen verdwijnt de projectie van Salomé van het doek.
Na een moment geeft Acteur 7 instructies om zich uit te kleden.
Acteur 7: Eerste knoop.
Tegelijk knopen de acteurs de bovenste knoop van hun jasje los.
De volgende handelingen worden allemaal pas uitgevoerd wanneer Acteur 7 ze heeft aangegeven. Tussen de instructies in nemen de acteurs de neutrale houding aan.
Acteur 7:
Tweede knoop.
Derde knoop.
Vierde knoop.
Vijfde knoop.
Jas uit.
De acteurs houden de jas bij de kraag vast, de onderarm horizontaal gestrekt. De drie aan de linkerkant van het toneel hebben de jas in de linkerhand, de drie aan de rechterkant in de rechter. Aan die kant leggen ze hun kledingstukken ook neer.
Acteur 7:
Jas neer. Kraag op.
Das uit.
Das neer.
Eerste knoop.
Tweede knoop.
Derde knoop.
Vierde knoop.
Vijfde knoop.
Zesde knoop.
Hemd uit.
Hemd neer.
Met ontbloot bovenlijf staan de acteurs langs de toneelrand. Op het achterdoek verschijnt een fragment van De Schepping van Adam van Michelangelo in zwart-wit. Het fragment vertoont twee handen die elkaar net niet aanraken. In het fresco schenkt God Adam op deze manier de levensvonk.
Na enige seconden beginnen de acteurs ter plaatse hard te lopen. Dit is een wedloop. De lopers proberen elkaar bij te houden. Als een van hen begint te sprinten moeten de anderen volgen.
Acteur 3 begint de dialoog.
Acteur 3: Nineteenhundredsixty-two?
Acteur 8: King Lear, William Shakespeare, Royal Shakespeare Company of London. Peter Brook.
Acteur 7: Peter Brook? Peter Brook? Marat-Sade, Peter Brook! London.
Acteur 6: Nineteenhundredsixty-four.
Acteur 7: Nineteenhundredsixty-nine! Dionysos in 69, Richard Schechner, Performance Group, New York.
Acteur 2: Nineteenhundredsixty-nine? The constant Prince, Julian Slowacki, Jerzy Grotowski, Laboratory Theatre, Poland.
Actrice 3: Paradise Now, Julian Beck, Rabelais, Jean Louis Barrault.
Acteur 8: Nineteenhundredsixty-four.
Acteur 3: Nineteenhundredsixty-seven.
Acteur 8: Nineteenhundredsixty-four.
Actrice 3: Milleneufcentsoixantesept.
Acteur 8: The Kitchen, Arnold Wesker.
Acteur 3: The Kitchen, Arnold Wesker?
Acteur 6: The Kitchen, Arnold Wesker.
Actrice 3: Ariane Mnouchkine, Cirque de Montmartre, Paris.
Acteur 7: Paris! Paris!
Acteur 6: I was sitting on my patio. This guy appeared. I thought I was hallucinating.
Acteur 2: Titus Andronicus, Iphigénie? Joseph Beuys.
Acteur 3: Nineteenhundredsixty-seven.
Actrice 3: L’Architecte et L’Empereur d’Assyrie.
Acteur 6: Nineteenhundredsixty-one. The American Dream. Edward Albee, Alan Schneider, Playhouse, New York.
Actrice 3: Paris.
Acteur 6: New York.
Acteur 3: Amsterdam.
Acteur 7: Milano.
Acteur 2: Frankfurt.
Actrice 3: Bruxelles.
Acteur 8: Paris. Le théâtre du soleil.
Actrice 3: Winterreise.
Acteur 3: Krapp’s Last Tape, Samuel Beckett, Royal Court Theatre, London.
Acteur 2: Experimenta, Frankfurt.
Acteur 8: Groß und Klein, Botho Strauß.
Acteur 7: Johann?
Acteur 8: Johann Wolfgang von Goethe.
Acteur 2: Neunzehnhundertachzig? Torquato Tasso?
Acteur 7: Nineteenhundredseventy-nine. Mauser. Hamletmachine. Heiner Müller, Jean Jourdheuil, Théâtre Gérard Philippe, Paris.
Acteur 3: Nineteenhundredsixty-seven.
Acteur 7: Müller.
Acteur 8: Wilson.
Acteur 2: Müller.
Acteur 7: Camus.
Acteur 8: Beck.
Acteur 2: Peyman.
Actrice 3: Molière.
Wanneer de dialoog éénmaal is uitgesproken verdwijnt de projectie van De Schepping van Adam van het projectiedoek.
De lopers lopen zo’n vijf minuten. Zweet wordt zichtbaar op hun bovenlijf en gezicht. Ze moeten steeds meer volume geven en de tekst aan hun ademhaling aanpassen om de dialoog gaande te houden.
Ondertussen zijn Acteur 4 en Acteur 10 op hun hurken verder het speelvlak opgegaan. Ze dragen nog steeds de zwarte haarbanden voor hun ogen. Ze zijn de blinden die zoeken naar de kleren van de Keizer. Op handen en voeten tasten ze tussen de scherven het speelvlak af tot ze een kledingstuk vinden. Dan gaan ze op zoek naar de naakte Keizer om het hem aan te trekken. Daarbij moeten ze wel de gebruikelijke volgorde van aankleden volgen (bijvoorbeeld als de sokken nog niet gevonden zijn moeten ze de schoenen laten liggen). Regelmatig komen ze controleren hoeveel en welke kledingstukken de Keizer al aanheeft.
Als ze weten wat ze moeten zoeken, gaan ze weer verder. Na zo’n tien minuten is de Keizer helemaal aangekleed. Achtereenvolgens heeft hij zijn overhemd aangekregen, zijn das, zijn jas, zijn slip, broek en broeksriem, zijn beide sokken en schoenen. De blinden gaan langs het projectiedoek af, Acteur 4 rechts en Acteur 10 links.
Meteen komt Actrice 1 van rechts en Actrice 2 van links op. Ze dragen ieder twee rode vuilnisblikken en twee stoffers, en lopen gelijktijdig naar de lopers op de toneelrand.
Actrice 1 plaatst een vuilnisblik en borstel tussen Acteur 8 en Acteur 3 en tussen Acteur 3 en Acteur 7. Actrice 2 doet hetzelfde tussen Acteur 6 en Acteur 2 en Acteur 2 en Actrice 3.
Dan lopen ze gelijktijdig in een diagonaal naar de Keizer en plaatsen zich links en rechts achter hem, richting publiek.
De lopers hebben nu ongeveer twintig minuten gelopen. Het zweet gutst van hun lichamen, ze hijgen en ze kunnen de dialoog alleen nog uitschreeuwen. Het brengen van vuilnisblik en stoffer is hun signaal dat de handeling achter hen voorbij is. Nog een keer zeggen ze de complete dialoog. Dan stoppen ze met lopen. Ze gaan op de grond zitten en blazen uit.
(FABRE, Jan, De macht der theaterlijke dwaasheden, In: Ik ben een fout, theaterscripts en theaterteksten 1975-2004. Meulenhoff | Manteau, 2004, pp. 289 – 293.)