De Troje Trilogie

Aantal personages
Mannen: 3
Vrouwen: 6

Personages
Andromache, Neoptolemos, Hermione, Hecabe, Hector, Cassandra, man

Structuur
3 delen

Genre(s)
Andere, Drama

Ruimte
Griekenland/Klassieke Tijd

Tijd
Griekenland/Klassieke Tijd

Synopsis

Tepstra vertelt drie episodes uit het leven van Andromache, in een omgekeerde chronologie.


Andromache : 


ANDROMACHE: Als dit nou echt de eerste keer was dat ik dit zou zien, dan zou ik wel huilen. Dan zou ik niet weten wat ik moest doen. Dan zou ik me dood geschrokken zijn. Dan zou ik gegild hebben en ik zou mensen hier naar toe hebben gehaald. Ik zou in een soort paniek geraakt zijn, en iedereen hebben vastgeklampt. En ik zou weken niet hebben kunnen slapen. Ik zou elke keer dat.. dat ik dat... Ik zou haar steed¬s zien liggen. Ik zou er 's nachts van wakker worden. Ik zou haar zien bewegen. Ik zou elk klein dingetje van wat ik hier zie onthou¬den. Haar hand. Heb je d'r hand gezien? Ik zou weten hoe die hand lag. Alsof er nog leven in die hand was. Als het de eerste keer was dan zou ik dat ont¬houden. Dan zou ik jaren later nog kunnen schrikken van een hand die ligt zoals deze hier ligt en... Dan zou het niet uit maken dat ze mijn vijand was. Als het de eerste keer was dat ik iets als dit zou zien. Dan zou ik bang zijn. Dan zou ik bang geweest zijn voor het leven omdat ik een lijk had gezien. Maar het is de eerste keer niet. Ik kan er nu tegen. Ik heb er geen last van. Ik ben er niet bang voor. Want het is de eerste keer niet.


MAN: Het lijkt me duidelijk hè.


ANDROMACHE: Ja.


MAN: Heb je haar gedood, vermoord? (Andromache schudt haar hoofd) Met dat mes?


ANDROMACHE: Ik heb haar niet gedood.


MAN: Ik zie hier niemand anders.


ANDROMACHE: Nee.


MAN: Ik zie daar iemand liggen met jouw kleren aan.


ANDROMACHE: Het is Hermione.


MAN: Is ze dood?


ANDROMACHE: Ja.


MAN: Ik zie Hermione die dood is. En ik zie jou met het mes.


ANDROMACHE: Neem jij dan het mes. (reikt hem het mes aan) MAN: Dat verandert niets aan de zaak. (pakt mes aan) 


ANDROMACHE: Wel als er nu iemand binnen zou komen.


MAN: Nee.


ANDROMACHE: In Troje was ik iemand. Weet je waarom? Omdat ik de kans kreeg goed te doen. Maar Troje moest plat. Ik heb mijn man zo zien liggen. Mijn kind. Wilde ik dat? Nee, dat wilde ik niet. Ik ben als slaaf hierheen gesleept. Wilde ik dat? Kon ik daar iets aan doen? Ik maakte er het beste van en kreeg met mijn meester Neoptolemos een kind. Dat wilde ik. Ja. Ik wilde laten zien dat ik kon leven. Maar hij kreeg een bruid. Hermione. Dat is zijn bruid. En die bruid zou niet rusten voordat ik in die plas bloed zou liggen. Heb ik daarom gevraagd? Daar heb ik niet om gevraagd. Vanaf het begin heeft ze me niet recht in de ogen gekeken, heeft ze me verdacht proberen te maken. Ze zegt dat ik er achter zit dat ze onvruchtbaar is en dat ik er voor gezorgd heb dat haar man haar haat. (haalt Hermione uit de plas bloed. Zet haar over¬eind) En dat ik 'r met geweld aan de kant zet en dat ik 'r man uit 'r bed jaag en het mijne in. En ik zweer dat dat niet meer gebeurd is sinds zij hier het huis binnenkwam. Maar ze weigert me te geloven. Ze wil bloed zien. En nu Neoptole¬mos op reis gaat, ziet ze d'r kans schoon. Kus me.


MAN: Als wie?


ANDROMACHE: Als Neoptolemos natuurlijk. Ga niet weg. Geef me iets om me te beschermen. Het enige wat ik wil is rustig te kunnen leven en het maakt me niet uit of jij met Hermio¬ne bent of met mij, dat maakt me niet uit. Maar ga niet weg, Neoptolemos.


MAN: Je overdrijft.


ANDROMACHE: Neem me dan mee.


MAN: Dat kan niet.


ANDROMACHE: Waarom niet?


MAN: Er is genoeg over gezegd. Hou een keer op. Je overdrijft. Je zeurt. Wie durft jou wat te doen? Er is niemand die jou wat durft te doen zolang ik hier koning ben. je staat onder mijn bescherming. Dat weet Hermione ook.


ANDROMACHE: Je weet niet hoe ze is.


MAN: Het is mijn vrouw!


ANDROMACHE: Ze haat me.


MAN: Hoe weet je dat?


ANDROMACHE: Dat zie ik.


MAN: Ik zie ook wel eens wat. Wat heb je voor bewijzen? (Andromache zegt niets) Ik wacht. (pauze) 


ANDROMACHE: Dan heb ik geen bewijzen!


MAN: Goed.


ANDROMACHE: Als ik niet meer mag geloven wat ik zie, dan heb ik geen bewijzen.


MAN: Je overdrijft en ik hou van je.


ANDROMACHE: Als je thuis zou komen en je zou mij in een plas bloed zien liggen, zou dat een bewijs zijn?


MAN: Dat zou een bewijs zijn.


ANDROMACHE: Laat me met je meegaan.


MAN: Nee.


ANDROMACHE: Laat me met je meegaan.


MAN: Nee.


ANDROMACHE: Geef me iets. Geef me het bewijs dat je me beschermt. (man geeft haar het mes) Dat is het bewijs dat je me niet beschermt.


MAN: Ik hou van jou in je gekte.


ANDROMACHE: Neem me dan mee.


MAN: Nee. Je blijft hier en je zult zien dat het allemaal in je hoofd zit. Hier. Je zult me gelijk geven.


HERMIONE: Dit is Troje niet. Je bent hier een slaaf. Dat moet je besef¬fen. Alles wat je krijgt, krijg je uit medelijden. Je hebt nergens recht op. (pauze) Wil je me dat glas water even aangeven. (het glas staat vrijwel binnen handbereik van Hermione. Andromache geeft haar het glas) Dank je. Je kunt het weer terugzetten. (pauze) Andromache, ik denk dat het goed is als wij eens met elkaar praten. Kom maar hier. Ga hier maar zitten. Goed zo. Gaat 't. (Andromache knikt) Papa, ik ga met 'r praten.


MAN: Is Neoptolemos er niet?


HERMIONE: Nee. Die is zeven dagen weg.


MAN: Ik hoop dat je weet wat je doet.


HERMIONE: Mijn vader is vandaag aangekomen. Menelaos. Hij houdt me gezelschap zolang Neoptolemos weg is. Ken je hem? Het is een grote man, met donker haar en hij heeft hele fijne handen. Vrouwenhanden bijna. Kijk, dit heeft hij voor me meegenomen. Hij is altijd kind gebleven. Vroeger werd ik kwaad als ik zoiets kreeg. Nu niet meer. Het zijn stukjes van zichzelf die hij aan me geeft en ik heb geleerd het op die manier te waarderen. Want het is natuurlijk niets.


Voor hem blijf ik zijn kleine meisje. (pauze) Andromache je moet weg. Dat vindt mijn vader ook. Voordat Neoptolemos terugkomt moet jij weg zijn. Want ik geloof niet dat we er op deze manier uitkomen.


 


Neoptolemos : 


DAG 1


Andromache is op, ze wacht. Neoptolemos komt op, hij bekijkt haar. Pauze.


NEOPTOLEMOS: Ben jij Andromache? (Andromache knikt. Pauze) 


ANDROMACHE: Dan ben jij Neoptolemos neem ik aan. (pauze. Neoptolemos knikt. Aftasten, afstand) 


NEOPTOLEMOS: Je bent mooier dan ik dacht. (pauze) Had je dat rooie haar altijd al?


ANDROMACHE: Nee, dat heb ik van woede gekregen. (pauze, aftasten, afstand) Ik lijk wel een cadeautje.


NEOPTOLEMOS: Je gaat me vermoorden, hè. (lange pauze) Wat zit daar in? (wijst op een tasje/koffertje dat ze bij zich heeft) 


ANDROMACHE: Dingen.


NEOPTOLEMOS: Er was jou verboden ook maar iets mee te nemen.


ANDROMACHE: Het zijn twee glazen en een fles wijn. (pauze) NEOPTOLEMOS: Je weet waarom je hier bent?


ANDROMACHE: Omdat jij een hoer nodig hebt blijkbaar.


NEOPTOLEMOS: Kut. Kut die je d'r bent.


ANDROMACHE: Ben jij echt Neoptolemos? (pauze) De zoon van Achilles. (pauze) Overwinnaar van Troje.


NEOPTOLEMOS: Eén van de overwinnaars.


ANDROMACHE: Ja. (pauze) Ik had me je heel anders voorge¬steld. Jonger en groter.. (pauze) Gespierder. Aantrekkelij¬ker. Breder. Mannelijker.... Met meer uitstraling. Zelfverzeker¬der.


Interessanter. Uitdagender.


NEOPTOLEMOS: Ik heb me voorgenomen toen ik in die troep stond voor Troje, dat moment van bezinning, dat moment, regen, modder vermengd met bloed, het lawaai, dat als ik daar ooit uit zou komen, dat ik dan alleen nog maar zou leven om te leven. Vol en groots. Alles uit me te halen wat ik in me heb, me niet in een sleur te laten meezui¬gen...


ANDROMACHE: Iemand die je aan durft te kijken. Een persoon¬lijkheid.  Overtuigt van zichzelf.


NEOPTOLEMOS: Ik ben niet geboren om door de stront te ploegen, om het leven als een toeschou¬wer langs te zien trekken.


ANDROMACHE: Geen achterbakse lafbek. Geen vroeg oud geworden moederskindje dat niet in staat is op een normale manier aan een vrouw te komen.


NEOPTOLEMOS: Nee, genieten wil ik, van elke seconde, er deel aan hebben, dat als ik nu zou sterven ik in alle eerlijk¬heid kan zeggen: ik heb geleefd zoals ik heb willen leven. Dat heb ik gezworen: te leven alsof elke minuut m'n laatste zou kunnen zijn, de goden heb ik ertoe aangeroe¬pen. En wat gebeurt? Ik krijg zo'n kut op m'n dak! (pauze) Jij bent hier niet heengehaald omdat ik dat zo leuk vond. Een soort droom: een mooie vrouw, want je bent mooi, als je per¬soonlijke slaaf, waarmee je kunt doen wat je wilt. Was het maar zo. Was het maar zo godverdom¬me. Artemis, de godin, mag je hier verantwoordelijk voor houden. Die kwam in m'n tent, vlak voor 't einde van de oorlog. Met een bevel: Andromache is voor jou, zei ze, de vrouw van Hektor, neem d'r mee als beloning, als slaaf, als oorlogsbuit. Ze zal je vermoorden. En weg Artemis. En weg plannen, weg intens leven, weg paradijs. (pauze) Hoor je de krekels. Hoor je het ruisen van de zilverpopulieren. Ruik je de olijfbomen en de cipressen, de harslucht, de krui¬den, de warmte. Zie je dat het hier een paradijs is. Kijk naar de bergen daar. Kijk. Hoe de witte dorpjes d'r tegenaan geplakt zitten. Hoe blauw de lucht is. Hoe godverdomme, hoe mooi het hier is. Ik laat me niet door jou vermoorden.


ANDROMACHE: Er is een afbeelding van dit moment op een vaas. En er is tekst die een beschrij¬ving geeft van mijn aankomst hier. Er staat iets als: Andromache zweeg, zweeg dagen¬lang. (pauze) 


NEOPTOLEMOS: Het interesseert je geen reet, hè. (pauze) Goed. (Andromache zwijgt) Ik wil nog wat van je weten. (Andromache zwijgt) Heeft iemand iets gezegd? (Androma¬che zwijgt) De mensen die je hierheen gebracht hebben, van Troje vandaan. Heeft iemand iets gezegd? Hebben ze het over mij gehad? Hebben ze iets over mij gezegd waar ik belang bij zo hebben om te weten? (Andromache zwijgt) Ze hebben gepraat waar jij bij was. Hebben ze iets over mij gezegd? (Andromache zwijgt) Ze hebben over me gepraat en ik wil weten wat. (Andromache zwijgt) Wie, en wat ze van plan zijn. (Andromache zwijgt. Lange pauze) Wat denk je nu? (pauze) Je voelt je waarschijnlijk heel groot en sterk. (Andromache zwijgt) Wat heb je daar om je hals? (Androma¬che zwijgt) D'r was jou verboden ook maar iets mee te nemen. Ik dacht dat ik dat al gezegd had. (pakt de ketting van haar hals. Ketting breekt. Steentjes vallen op de vloer. De meeste steentjes vangt hij op in zijn hand. Andromache zwijgt) Dit is wat jij wil. Niet ik. (Andromache zwijgt) Ik kwam hier om een afspraak te maken. (Andromache zwijgt) Maar je weet het allemaal al te goed. (laat de steentjes op de grond vallen. Pauze) Zie je dat steentje daar. Die daar, ja, daarachter. Dat steentje heeft meer kans hier weg te komen dan jij. (Andromache zwijgt) Ik ga eten. Ik ben je een beetje zat. (Neoptolemos af. Andromache pakt het bewuste steen¬tje op en stopt het bij zich. Pauze) 


ANDROMACHE: Op die vaas, die afbeelding, lig ik huilend op de grond. Met m'n haar in 't stof. En in m'n hoofd woedt een storm, een hel van water en vuur, zoals er nog nooit een storm ge¬weest is.


 


Troje :


 


SCENE 1


 


HECABE (komt op): Soms heb ik het gevoel dat alles stil¬staat. Dat alles zich herhaalt.... Dat steeds alles opnieuw gebeurt. Hoe kan ik dat stoppen. (lange pauze. Cassandra, Hektor en Andromache komen op) Hoe kan ik dat stop¬pen. (pau¬ze) Cassandra, lees mijn hand.


CASSANDRA: Ik ben ziek.


HECABE: In mijn hand leest ze wat er allemaal gaat gebeuren.


ANDROMACHE: Er komt een dag dat ik helemaal vrij ben, dat ik niemand rekenschap hoef af te leggen, dat ik kan zijn wie ik wil zijn.


HECABE: Ze was prachtig verliefd. Wat was ze mooi verliefd. Ze was als een droom. D'r rode haar glansde, leek vuur te zijn, een uitslaande brand. Je zag het bloed door 'r lijf kol¬ken. Ze was te groot voor zichzelf. Wat is er mooier dan een verliefde vrouw. Een vrouw die gevonden heeft wat ze zocht. Je wilde 'r aanraken. Je wilde bij 'r zijn. Je wilde zelf zo'n bleke huid waar de sproeten overheen dans¬ten; je wilde je neus in dat pas gewassen haar duwen. Een prachti¬ge vrouw. Een gelukkige vrouw. Ze kwam bij ons nadat haar familie was uitgemoord. Door Achilles.


CASSANDRA: Achilles.


ANDROMACHE: Achilles.


HECABE: Laten we hopen dat Hektor 'r alles kan geven wat ze moet inhalen. Dat dachten we toen. Dat hoopten we toen.


ANDROMACHE: Zul je altijd van me houden.


HEKTOR: Ja.


ANDROMACHE: Zul je me nooit pijn doen.


HEKTOR: Nee.


ANDROMACHE: Zul je me altijd bewonderen om mijn vrijheid en mijn onafhanke¬lijkheid.


HEKTOR: Dat is het mooiste wat je hebt.


ANDROMACHE: Zul je me nooit verdriet doen.


HEKTOR: Nooit.


ANDROMACHE: Zul je altijd eerst aan mij denken en dan pas aan je¬zelf.


HEKTOR: Altijd.


ANDROMACHE: Zul je altijd groot en sterk blijven. Zal ik altijd trots op je kunnen blijven zijn.


HEKTOR: Ik hoop het.


ANDROMACHE: Beloof je dat je pas na mij zult sterven. (Hek¬tor zwijgt) Beloof het.


HEKTOR: Ik beloof het.


ANDROMACHE: Eet me op.


HEKTOR: Nee.


ANDROMACHE: Eet me op.


HEKTOR: Te bloederig.


ANDROMACHE: Dan eet ik jou op. Ik ben niet bang voor een beetje bloed. (ze eet hem op) 


CASSANDRA: Ik weet niet of ze nou wel de juiste vrouw voor Hektor is. Ze maakt hem week. Ze maakt hem kinderachtig.


HECABE: Mensen die van elkaar houden maken elkaar altijd week en doen altijd kinderachtig Cassandra.


CASSANDRA: Dat maakt het zo erg.


ANDROMACHE: Au, je doet me zeer. Je doet me zeer Hektor!


HEKTOR: Dat was per ongeluk. Omdat je me beet.


ANDROMACHE: Je deed me zeer, Hektor.


HECABE: Er werd een kind geboren. Geboren uit liefde. Mijn eerste kleinkind. Een jongetje. En hij heette Astyanax. (laat foto's zien) 


CASSANDRA: Je bent vader nu.


HEKTOR: Ja.


CASSANDRA: Wie had dat ooit kunnen denken. Mijn broertje die vader is. Ik vind het leuk hoor. (Hektor lacht een beetje schaapachtig) 


ANDROMACHE: Zeg dan wat.


HEKTOR: Wat moet ik zeggen. (pauze. Andromache bekijkt hem verliefd) 


ANDROMACHE: D'r gaat heel wat in je hoofd om, hè.


HEKTOR: Ja.


ANDROMACHE: Als je ooit tegen me liegt dan vermoord ik je. (kust hem) 


HECABE: En toen kwam de oorlog.


CASSANDRA: Toen kwam de oorlog. (Hecabe gaat af) 


ANDROMACHE: Waar ga je heen?


HECABE: Ik ga even naar Astyanax. Hem even gedag zeggen.


ANDROMACHE: Nee. Je blijft hier.


HECABE: Ik wilde hem alleen even gedag zeggen.


ANDROMACHE: Nee, zeg ik. Ik zeg toch nee.


HECABE: Lieve schat, het is mijn kleinkind.


ANDROMACHE: Het is mijn kind.


CASSANDRA: Wat kan er nou voor kwaad in schuilen als ze even dat kind ziet.


HECABE: Bemoei je 'r niet mee Cassandra.


ANDROMACHE: Ik zeg dat niet om vervelend te zijn. Ik moet de hele dag met 'm optrekken. Ik heb er altijd last van als jij geweest bent. En ik wil dat je hier blijft. 


HECABE: Ik zal hem niet verwennen.


ANDROMACHE: Dat doe je toch.


HECABE: Andromache.


ANDROMACHE: Het is mijn kind en ik mag met mijn kind doen wat ik wil. (tegen Hektor) Sinds we hier terug zijn in Troje heb ik jou geen dag gezien en ik hoef nu ook niets van je te horen. (tegen Hecabe) En je hoeft me niet zo aan te kijken, want ik voel me toch niet schuldig. (pauze) Het gaat goed met Astyanax. Het is een lief kind. En dat wil ik zo houden. Punt. (pauze) Vinden jullie me onredelijk. Zeg dat dan. Ik vind mezelf niet onredelijk. Ik heb mezelf nog nooit onrede¬lijk gevonden. Als ik onredelijk ben, dan verander ik dat.


Ik weet wat ik doe.


HECABE: We vinden je niet onredelijk, Andromache.


ANDROMACHE: Ik zie aan je ogen dat je 'r anders over denkt. (tegen Cassandra) En aan jou al helemaal. (pauze) Oké, ga dan maar naar hem toe als je wilt. Als je hier niet wilt blij¬ven. Dan los ik het straks wel weer op. Jij die hem verwent.


Hektor die hem leert vechten. En ik moet er een goed mens van maken. Nou, ga dan!


CASSANDRA: Je moet niet gaan, mama.


ANDROMACHE: Ze kan heel goed zelf uitmaken wat ze doet.


CASSANDRA: Dat kan ze niet.


HECABE: Maken jullie geen ruzie met z'n tweeën. Er is al rotzooi genoeg.


CASSANDRA: We maken geen ruzie.


ANDROMACHE: Wat doen jullie hier. Zijn jullie hier om het me moeilijk te maken.


HECABE: Andromache, we zijn hier omdat we van je houden.


ANDROMACHE: Als Hektor met iemand anders was getrouwd had je van die andere gehouden. Ja, sorry hoor. Nou, ga naar Astyanax. Maar verwen hem niet. En als ie wil vechten moet je hem dat verbieden. (Hecabe beweegt niet) Of ga je me een schuldgevoel aanpraten. Ga dan. (Hecabe gaat af) Kom mama, geef me een kusje. (kust Hecabe) Ik ben niet zo slecht als ik er uitzie.


HECABE: Dat weet ik. (gaat af) 


ANDROMACHE: Je geeft hem geen snoep hè. (Hecabe af. Pauze) Ze wordt oud. Dat merk je aan alles.


CASSANDRA: Je bent te hard voor 'r.


ANDROMACHE: Ze heeft toch niet stiekem snoep voor hem meegenomen.


CASSANDRA: Niet dat ik weet


Deze tekst is een bewerking van
Griekse mythologie

Andere teksten van Koos Terpstra

De Troje Trilogie heeft ook een band met: