Het Syndroom van Stendhal

Synopsis

Het stuk speelt op de dag van de begrafenis van Hilde's echtgenoot.
Na afloop van de begrafenisplechtigheid voor Hilde's man komen verwanten, vrienden en bekenden in het nieuwe, nog onbewoonde, huis van Hilde bij elkaar. Hilde's echtgenoot, rijk maar een onverantwoordelijk financier, heeft zelfmoord gepleegd. Zijn motief is onduidelijk, maar er gaan sterke aanwijzingen richting beursspeculatie. Te zijner nagedachtenis heeft hij een feestmaal met muziek en dans verordend.
Hilde heeft kunstgeschiedenis gestudeerd en is op een hysterische manier artistiek bevlogen; ze raakt in een absolute extase door het roepen van beroemde namen en begrippen. Voor haar geldt als belangrijkste dat ze zeggen kan "ik was er bij"! Zij wil in het nieuwe pand, in deze "vormgegeven leegte", een galerie beginnen waar de grote kunstenaars een plek moeten krijgen. Daarvoor heeft zij de hulp van de anderen nodig en met name de toestemming van de dochter van de overledene, Natasja. Beiden kunnen absoluut niet met elkaar overweg.
Natasja is een hevig rouwende dochter die haar vader diep haatte. Zij heeft een aan/uit relatie met de fotografe Sonja. Haar vriend Joseph is eveneens aanwezig. Hij wordt door Sonja in bad gefotografeerd.
In opdracht van de overledene heeft Paul, een privé-dedective, Hilde een aantal maanden geschaduwd. Dat heeft dusdanige gevoelens in hem opgewekt dat hij Hilde nu zijn liefde bekent. Hij weet als enige hoe de overledene Hilde manipuleerde door middel van haar bijgelovigheid.
De huisvriend en psychiater Max, heeft een boek geschreven over de overledene die volgens hem in buitengewone mate aan het 'syndroom van Stendhal' leed. (Stendhal beschreef de ziekteverschijnselen van een reiziger die te Florence overweldigd raakte door een overdosis kunstzinnige schoonheid). Tijdens een telefoongesprek met Max heeft de overledene zichzelf met een antiek zwaard doodgestoken.
Dit antieke zwaard was afkomstig van zijn vriend, de antiquair George. Deze blijkt een echte romanticus te zijn in zijn verlangen naar het 19e eeuwse verleden waarin felle emoties het bloed door de aderen joegen.
De zaakwaarnemer Alfred, die een relatie met Hilde heeft (gehad) is in niets of niemand geïnteresseerd. Zijn enige belang is het afhandelen van het financiële gedeelte. Maar net zo min als Hilde, is hij in staat de hele groep bij elkaar te krijgen en ze te laten luisteren.
Hedda, Hilde's zus en succesvol modeontwerpster, wil zo snel mogelijk weg. Zij voelt zich buitengesloten doordat ze nergens van op de hoogte is. Zij verwijt Hilde haar idiote bewondering voor kunst.
Victor, de niet afgestudeerde taalfilosoof en indringer -hij is niet genodigd voor de feestmaaltijd- insinueert voortdurend dat de financiële zaken van de overledene niet zullen blijken te kloppen. Hij ontpopt zich min of meer als de verteller van het stuk en vormt de schakel tussen toneelwerkelijkheid en het publiek. Hij wil de valsheid en quasi-artisticiteit van de personages ontmaskeren.
Zijn ex-vrouw Gaby wil wat met Alfred en trekt hem af onder het tafelkleed. Even later staat ze te zoenen met Joseph.
Een echte buitenstaander is de serveerster Martha die met een grote realiteitszin de gebeurtenissen van commentaar voorziet. Nuchter dekt en ruimt zij de tafel voor de gasten die niet één keer samen plaats nemen.
Uit de flarden tekst wordt geleidelijk aan een beeld van de situatie zichtbaar: er zijn grote schulden, de meeste gasten zijn in moeizame erotische relaties verwikkeld, maar de precieze verhoudingen tussen de twaalf personages worden niet duidelijk. Uiteindelijk blijkt de overledene, "de meest volmaakte charlatan", Hilde -bij wijze van posthume wraak- opgezadeld te hebben met een enorme erfschuld waarvoor zij levenslang zal moeten boeten. Hilde jaagt zichzelf een kogel door het hoofd. De aanwezigen beginnen opnieuw aan de broodjes en koffietafel voor de nabestaanden.

In Het Syndroom van Stendhal brengt Strijards een generatie veertigers en vijftigers samen die zich hult in een oeverloos gebabbel over leven, stijl, kunst en kunstenaars. Ze missen elke gemeenschappelijke ideologie.
De taal bestaat uit een ketting van kortaffe monologen, maniakale observaties en wanhoopszinnen. Woorden moeten als verweer dienen tegen de beklemming en de leegte, want er is nauwelijks sprake van een handeling. De gesprekken zijn gestructureerd als spinnenwebben. Ze vertakken zich, springen van de ene persoon naar de andere en van het ene onderwerp naar het andere. Aangeroerde thema's verdwijnen om onverwachts weer op te duiken. Naast feiten worden steeds meningen verkondigd die voortdurend worden doorgeprikt.
De personages staan voor moralistische veroordelingen van de wijze waarop mensen met hun eigen levens omgaan. Het zijn schematische dragers van ideeën. Geen mensen maar kunstwerken of, zoals ze door de antiquair George worden genoemd: "een reeks citaten. Vuilnisvaten, kletsmajoors, zonder achtergrond, diepgang of innerlijke samenhang".
Hebzucht, seksualiteit, ambities etc. houden de personages bij elkaar. Het zijn sentimentele, ijdele vampiers die het levensbloed van de kunstenaar/waarheidszoeker zuigen. Ze verwijzen naar kunstsponsors en kunstmanagers. Levensgevaarlijk in de ogen van Strijards. Er is een voortdurend heen en weer geloop van de personages die dan weer in de keuken, de entreehal, naar het terras of de kamer boven aan de trap verdwijnen. Nooit is de gehele groep compleet. Aslof een innerlijke onrust de mensen dwingt om steeds in beweging te blijven, steeds te praten en gebaren te maken. Van echte rouw is geen sprake en de interesse in elkaar is nihil. Een ieder is slechts met zijn eigen besognes bezig. Niemand weet waarom hij daar aanwezig is en zoekt zinloos naar de motieven daarvoor of probeert zichzelf te maskeren door een overdreven kunstbeleving. Niets bindt hen en niet een keer is er sprake van een groepsgedachte.
Strijards' personages gaan zich te buiten aan modieuze praat, maar juist daarin vormen ze tezamen een schreeuw om begrip en liefde. Bij herhaling komt op verhaal- (of thematisch) niveau het zoeken naar waarheid terug.

Het Syndroom van Stendhal is een uitstervende ziekte en daarin schemert de woede van Strijards door: het gaat niet meer om kunst, het gaat om de cijfers, prijzen of publieksaantallen. Vlotte managers met een cursus conlficthantering maken de dienst uit en zo dringt ook in het stuk de minnaar-zaakwaarnemer Alfred steeds meer op de voorgrond. In dit stuk schetst Strijards een hilarisch beeld van de hedendaagse kunstscène.

(Donker. Muziek en gedruis. Licht. Er komen dansparen op: Joseph danst met Gaby, George met Martha, Sonja met Victor, Max met Hilde, Hedda met Alfred. Paul loopt in de weg. Geleidelijk verdwijnen de dansparen van het toneel in de richting van het terras, waar kennelijk verdergefeest wordt.. Op blijven: Hilde, Hedda en Paul. Een nerveuze atmosfeer.)

HEDDA
(tegen Hilde, over Paul) Wat moet dat toch? Hij daar! Ik snap niet waarom jij die mensen er niet uitgooit.

PAUL
Ik ga niet weg voordat ik weet wat ik te verwachten heb. (George op, van terras)

PAUL
(tegen George) Ik ben hier vandaag gekomen.
Om het lot iets af te dwingen.

GEORGE
Ach, iedereen is hier gekomen om een aantal beslissende zaken te regelen.

PAUL
Wat een ontzettende chaos hier.

GEORGE
Maar ik persoonlijk ga ervan uit dat we ertoe veroordeeld zijn nooit te weten wat we veroorzaken. De reikwijdte van ons gedrag kunnen we niet overzien. We richten ravages aan, hollen van begeerte naar bevrediging, van bevrediging naar begeerte. Maken kapot wat ons het liefst is. Willen allerliefst een paar uur bevrijd zijn van de valkuilen, de angels van onze identiteit. (Gaby op, vanuit entreehal)

GABY
Iedereen heeft plezier, iedereen ziet er mooi uit, iedereen geniet, zoiets moeten we vaker doen. (Max en Natasja op, van terras)

NATASJA
(tegen Max) Komt u eens even mee.
Ik wil wat met u bespreken.

(Natasja en Max gaan aan tafel zitten. Joseph, Victor, Sonja en Alfred op van terras. Joseph heeft een spel Tarot-kaarten bij zich. Hij loopt met Gaby en Sonja in zijn kielzog naar boven.)

JOSEPH
Dames en heren, maakt u kennis met het spel
waarin het lot wordt aangekondigd en vastgelegd. Dood, ziekte, geluk, reizen, ontmoetingen, erfenissen.
Zoals bekend kunnen de kaarten u over alles inlichten.
Wie ondergaat de voorspelling, en durft zich opstandig te tonen.
Dames en heren, hier ontmoet u vanavond het lot.
(Vanaf dit moment ontstaat er boven achter de deur een feestje.) VICTOR
(ook naar boven gaand) De liefde en de kunst, laatste bolwerken in een cultuur van egoïsten, asocialen, maniakken en debielen.

(Victor af, sluit de deur achter zich.)

ALFRED
Zeg, wie is er nou weer op dat idee gekomen?

PAUL
(tegen Hilde) En gaat het allemaal een beetje naar wens?

HILDE
Ik heb de schoen gepast, en ben hem nu aan het aantrekken.

(Martha op de uit de keuken, kijkt toe, samen met Hedda.)

PAUL
Ik begrijp precies waarom u dit doet.
Ik laat u niet in de steek. Echt.

HILDE
Wat gaan we nou krijgen?
Wat bedoelt u eigenlijk?

(Alfred dringt Paul naar het terras. Hedda loopt mee.)

PAUL
Ja, als ik de kans niet krijg om dat uiteen te zetten...

GEORGE
Ik zit eigenlijk boordevol kritiek.

MARTHA
Ben je dronken?

GEORGE
Nee. Ik zit boordevol kritiek.
Gewoon opbouwend bedoelde, scherpe kritiek, zelfkritiek.

(Hilde heeft inmiddels afstand genomen, loopt de trap op.)

MARTHA
Waarom? Als ik vragen mag.

(Tijdens navolgende monoloog gaan Max en Natasja af naar de keuken. Martha heeft weldra de neiging om te volgen.)

GEORGE
De mens, valt daar nog wel wat over te zeggen?
Een mens zonder opinies, overtuigingen,
Is dat nog wel een mens?
Neem mij. Mag dat nog wel mens heten?
Of is het alleen wat misplaatste
antropomorfe exaltatie.
Ja, zeg ik. Die omschrijving raakt de kern.
Natuurlijk koketteer je met zelfkritiek.
Je bent een kind van je tijd.
Je verwacht van anderen dat ze energie hebben, en perspectief.
Maar zelf zou ik wat geven voor wat
Inspiratie, echte inspiratie.

(Hedda en Alfred op vanaf het terras. Ze zetten zich feestelijk in postuur, en gaan de trap op. Samen met Hilde worden ze door de feestenden verwelkomd. Ze slaan de deur dicht voor George, die aansluiting zocht, en nu op de trap blijft staan.)

GEORGE
Ik voel mij een logé in een volkomen
uitgeleefd hotel.
Ik loop de straat op.
De aanwijzingen om ergens anders te komen
bekijk ik a priori met de overtuiging
dat mij een warhoofdig raadsel wordt opgegeven.

(Hij krijgt Martha in het vizier, die ongemakkelijk toehoort.)

GEORGE
Ha ha, ik heb ze door.
Mij krijgen ze niet.
Ik ben te moe, om het op te lossen.
Dus terug naar binnen.
De medegasten spreken vanzelfsprekend een
waanzinnig accent.
Aan het plafond zijn er gebladderde
schilderingen van wat eens als gouden eeuw
werd betiteld.
De neiging omhoog te blijven kijken is
nauwelijks te onderdrukken.
Maar als ik dat doe, stort ik van de trap, of iemand knoopt ongevraagd mijn veters aan elkaar.
Begrijpt u het beeld? Mijn probleem?

MARTHA
Nou, ik ben maar een eenvoudig persoontje.

(Hedda komt nerveus naar beneden. De deur blijft open. Achter de deuropening wordt gedanst en gehost).