Advertentie
Aantal personages
Mannen: 3
Vrouwen: 1
Personages
ik, chirurg, verpleegster, conservator
Geïnspireerd op vier objecten van Raoul Teulings.
Wat de theorie betreft,
ben ik niet al te onwetend.
Ik weet immers dat
als ik mij in een museum bevind,
mijn linkervoet er zich ook bevindt.
Ik weet nog meer.
Ik weet dat als ik dood ben,
ik voor lange tijd dood ben.
Wat de praktijk betreft.
Ik weet immers dat
als ik mij in een museum bevind,
mijn linkervoet zich in een graf bevindt.
Ik weet dat,
als ik dood ben,
de herinnering aan mij nog lang zal voortleven en de eeuwigheid zal trotseren. De praktijk is dus een probleem.
Zonder dralen duiken wij in een dialoog.
DE CHIRURG
Zullen we dat rechterbeen maar afsnijden?
IK
Waarom nu net mijn rechterbeen? Neem mijn linkerbeen, dat bevindt zich toch al in het graf.
DE CHIRURG
Geen sprake van. Zullen we dan maar de nieren eruit halen?
IK
Kan dat kwaad?
DE CHIRURG
Wat denkt ú? Kan dat kwaad of niet?
IK
Geen idee.
DE CHIRURG
Wie geen ideeën heeft, moet maar ten onder gaan, zeg ik altijd.
En de chirurg snijdt de nieren uit mijn lichaam weg. Weldra zullen alle woorden uit mijn lichaam verwijderd zijn.
Eindelijk.
Nu zijn we in een intensive —'tête-à-tête' — care.
Spuitje? vraagt de verpleegster.
Door mijn aarzeling voelt ze zich verplicht te specifiëren dat het om morfine gaat.
Morfine: het belangrijkste alkaloïde dat in opium voorkomt, pijnstillend en bedwelmend. En ik krijg dit nieuwe woord in mijn lichaam. Ik leg de verpleegster uit dat ik geen nieuwe woorden meer wil krijgen, maar ze brengt het gesprek op een ander spoor. De familie. Of mijn familie niet verwittigd moet worden. Mijn vader leefde op Duracell. Mijn moeder leefde dank zijn een pompaandrijving. Ze zijn nu beiden — non-actief. Daarom werd ik conciërge in een museum, voeg ik eraan toe. Ik mocht in een zijvleugel van het museum wonen. Veel moest ik niet doen - enkel zorgen dat de stookolie op tijd geleverd werd, dat de kapotte ruiten vervangen werden. Dus geen familie, concludeert de verpleegster. Helemaal alleen en conciërge daarenboven, voegt ze eraan toe. En ze begint te wenen. Spuitje?
We bevinden ons nu te midden van een causerie.
Lang geleden uitte ik mijn gedachten hardop.
In de kerk riep ik luidkeels: God is zot.
Maar niemand gunde mij een blik, al wou ik ervoor betalen — voor die blik.
Later probeerde ik mijn gedachten niet alleen te uiten, maar ook duidelijk te omlijnen. Ik riep toen: God bestaat niet. Ik kreeg hooguit een paar bedenkelijke opmerkingen, zoals 'jij bestaat toch ook niet'.
Nog later drukt ik mij dan maar praktischer uit en riep: het absolute bespiegelingsbeeld van een opperwezen mag sterk in twijfel getrokken worden. En zie — ik communiceerde. Men¬sen knoopten een gesprek met mij aan. Eindeloze veelzijdige en bovendien onpeilbare gesprekken. Ik was — voor ik het besefte — onherroepelijk geketend aan een gesprek zonder ontknoping.
Ik het het woord 'God' dan maar uit mijn lichaam verwijderen.
De conservator kwam voorbij en vroeg mij of hij dat woord in het museum mocht plaatsen. Ik had toen 'neen' moeten zeggen.
Gedachten hardop uiten kan geen kwaad. Aan 'gedachten-uitwisseling' doen, kan fatale gevolgen heb¬ben.
We zijn intussen in een avondkout beland.
Gedachten uit een ver verleden dansen voor mijn ogen.
Hier de gedachte dat ik jong & mooi' ben.
En hier de gedachte dat de wereld jong & mooi' is.
En daar de gedachte dat jij 'jong & mooi' bent.
Maar 'de gedachten' hebben het avontuur willen aangaan. Ze hebben het nest van de theorie verlaten om naar de verre praktijk te trekken. Besmeurd, verwond, de uitputting nabij zijn ze aangekomen.
En ik moet er nu mee leven dat ik jong & mooi' ben, dat de wereld jong & mooi' is.
Auteursrechten
De rechten worden beheerd door SACD.