Advertentie
Aantal personages
Vrouwen: 3
Personages
Ondine, moeder, vrouw bij de bushalte, (moeder en de vrouw bij de bushalte bij voorkeur als dubbelrol)
Structuur
5 bedrijven
Genre(s)
Jeugdtheater
Ruimte
op straat, in de kamer van Ondine, in een keuken
Synopsis
Vijf bedrijven, vijf dagen uit het leven van Ondine, een jong meisje dat naar verandering hunkert. Elke dag gaat ze de deur uit, ‘om daarna terug te komen, en te zien of er niks veranderd is’. Want ‘zelfs stenen veranderen’. Ondine wil zo graag verandering omdat ze zich thuis ongelukkig voelt. Haar moeder heeft haar vader het huis uit gezet, en dat had ze nooit mogen doen, zegt ze in de proloog. Er is geen man die zo goed kan hinkelen als hij. Er is geen andere vader op de hele wereld die zo goed is in diefje met verlos of zulke lange roversliedjes kent.
Maar is de afwezige vader wel zo sympathiek als Ondine hem graag voorstelt? Papa deed altijd mee met het touwtjespringen, of met hinkelen, zegt ze. Maar ze liegt, en dat beseft ze zelf ook.
De productie werd in Duitsland bekroond met de Kaas & Kappes Dramatikerpreis 2001.
De tekst Rover, dronkeman is opgenomen in de bundel Klein Magazijn 4, uitgegeven bij Afijn met ISBN-nummer 90-5933-045-5. Deze verzameling teksten voor jeugdtheater is nog te koop in de boekhandel.
Maandag
ONDINE: [Hinkelt, zingt, maar niet van harte.] Ondine, kun jij fluiten, en diefje-met-verlos? En ken jij ook de rovers, de rovers uit het bos? De ene ving een rat, en liet hem toen weer los. De rat sprong naar zijn broer zijn nek, de derde rover werd toen gek, nog gekker, echt, dan Det. Dan Det, dat stuk venijn. De rat werd toen een zwijn. En dat vond Det wel fijn. Ze deed het varken in de pan, ze kookte er de poten van, de kop die liet ze heel. Dat zwijn was haar te veel. Ze had voor jaren vet genoeg, een bullebak die haar ook sloeg, dat slaan zat haar tot hier. Ze telde toen tot vier. De varkenskop zette ze op, ze kon ermee geen kant meer op, en stapte toen in bed. Zei: 'Man, ik ben het, Det, mijn hoofd erom verwed, dat jij je dood zult schrikken, en in je tong zult stikken, dus hup, blijf nu maar dood.' Mijn benen zijn van lood. Ze wegen tien ton suikergoed, mijn bloed zit in mijn ene voet, het bloed van heel mijn lijf. Het bloed van een dik wijf. Det was een stuk venijn. Die kop van dat dood zwijn. De kop niet in het vuilnisvat, maar voer voor zondag, voor de kat, de kat van ... Eh.
De kat van ... Eh.
Die kop van dat dood zwijn. De kop niet in het vuilnisvat, maar voer voor ... Maar voer voor ...
VROUW: [De vrouw wacht bij de bushalte, zingt voor zich uit, tegelijk met Ondine, maar de twee horen elkaar duidelijk niet.]
Waar is mijn hart, mijn teerbeminde.
Ik wil je altijd blijven vinden.
En ik vind je al zo lief.
Mijn rover, mijn hartedief.
VROUW: Dag meisje, we zijn zo vroeg op pad?
ONDINE: Klopt. Ik heb mijn koffer gepakt, mijn jas aangetrokken, en tegen de deur heb ik gezegd: 'Dag deur, ik kom niet terug.'
Ik ben op weg naar mijn nieuwe huis.
Ik moet er zijn voor de zon op is.
VROUW: O, zo.
Ik wacht op de eerste bus.
ONDINE: Ik niet.
Ik liep door, de hoek om.
En bij de volgende hoek weer.
En bij de volgende hoek nog eens.
VROUW: Je liep snel, je had haast.
Ik wist niet waar je vandaan kwam, ik wist niet hoe
je heette.
ONDINE: Nog vóór het licht werd, kwam ik waar ik moest zijn.
Alles zou anders zijn, en als het niet helemaal anders
was geworden, dan zou het toch een beetje anders zijn
dan eerst, want niets blijft altijd hetzelfde, zelfs stenen
veranderen, zegt mijn moeder.
Ik wachtte tot ik een ster zag vallen en deed toen een
wens.
Daarna keek ik omhoog naar het huis en zei: 'Ja, hier.'
Ik maakte de deur open en ging naar binnen.
Boven koos ik een kamer, daar ging ik op bed zitten.
'Dag,' zei ik tegen het raam van mijn nieuwe huis.