Advertentie
Aantal personages
Mannen: 7
Vrouwen: 2
Personages
Minos - koning van Kreta, Ariadne - docter van Minos, Daedalus - architect van het labyrint van Knossos, Icaros - zijn zoon, Aegeus - van Athene, Theseus, zoon van Aegeus die de Minotaurus doodt, verteller, stadswacht, Minotaurus, het monster (wel aanwezig in het verhaal maar niet door een acteur vertolkt - vormgegeven in de illustraties)
Structuur
2 bedrijven
Genre(s)
Jeugdtheater
Ruimte
Kreta
Synopsis
“Het is aan vaders om de weg te wijzen, aan zonen om de weg te zoeken.”
Daedalus en Icarus, Theseus en Aigeus... twee vaders, twee zonen... een monster dat de Minotaurus heet, en een meisje: Ariadne, die droomt van de liefde, en van vertrekken... Maar wie neemt haar mee?
Lieve Theseus,
Toen ik vanmorgen wakker werd, was je vertrokken. Je schip lag niet meer op
het water. De zeilen sloegen niet meer tegen de mast. Ik heb niets gehoord.
Muisstil heb je mij vannacht achtergelaten. Zonder het minste geluid te
maken, ben je naast me opgestaan. Zonder de schelpen op het strand onder je
voeten te laten kraken, ben je vertrokken.
Ik stuur je deze woorden, Theseus, van aan de andere kant van het water. De
zee ligt tussen ons in. Jij bent met je schip vertrokken en je hebt mij op
een gruwelijke manier achtergelaten.
Hoe laf was het, hoe vals om te vertrekken terwijl ik sliep in jouw armen.
En hoe blind ben ik geweest.
De Minotaurus was een gruwelijk monster. Maar zelfs een gruwelijk monster
als de Minotaurus zou nooit doen wat jij nu gedaan hebt. Misschien was ik
beter met hem uit Kreta weggevlucht. Want van een ding ben ik zeker: een
slechtere vriend dan jij bestaat er niet.
Het moet gebeurd zijn nog voor het eerste ochtendlicht over de aarde werd
gestrooid, nog voor de vogels in de bomen hun eerste deuntjes floten. Met
mijn hand zocht ik de jouwe. Ik strekte mijn armen naar je uit om je te
omhelzen. Maar er was niemand. Je was weg. En door mijn vingers gleed enkel
een hoopje zand.
Wat moet ik nu beginnen, Theseus?
Op dit eiland waar nooit een mens langskomt, waar nooit een schip
voorbijvaart om mij mee te nemen. En zelfs al kwam er een schip langsŠ Waar
kan ik naartoe? Een thuis heb ik niet meer. Ik heb mijn eigen vader
verraden. Zijn zwaard heb ik aan jou gegeven om de Minotaurus te doden. Ik
heb je uitgelegd hoe je uit het labyrint kon ontsnappen en zonder een woord
te zeggen ben ik vertrokken. Hoe zou ik nog een thuis hebben? Waar kan ik
nog naartoe?
Weet je nog? We hadden een afspraak. Ik zou jou helpen om levend uit het
labyrint te ontsnappen, jij zou met mij trouwen. Misschien ben ik dom
geweest je zomaar te geloven. Misschien had ik beter moeten weten, toen ik
je blik onrustig over de zee zag dwalen. Is er iemand anders die op je
wacht? Een ander meisje dat mooier is dan ik? Een meisje in Athene aan wie
je precies hetzelfde hebt beloofd als aan mij?
Ik zou je moeten haten.
Maar hoe kan ik haten wie met me sliep op een bed van bladeren en bloemen?
Ik eet niet meer. Ik drink niet meer. Ik slaap niet meer.
Ik kijk over de zee, de blauwe, de groene, de grijze, de wijnrode, de
inktzwarte zee.
Ik zou je moeten haten.
Maar hoe kan ik haten wie met me sliep onder een hemel van sterren.
Ik denk aan jou.
Er gaat geen minuut voorbij dat ik niet aan je denk.
Voor altijd,
Je Ariadne
I








