Advertentie
Deze tekst werd reeds door 13 personen gedownload (PDF, 34 kB)
Aantal personages
Mannen: 2
Personages
Wortel van Glas, Nonkel Biet van Glas
Structuur
doorlopende vertelling
Genre(s)
Monoloog
Synopsis
Wortel van Glas zit met een vraag. Een vraag die hij geërfd heeft van zijn nonkel. Nonkel Biet van Glas. Het personage Wortel vertelt over zijn nonkel en over diens ‘waarheden’ die achteraf meer blijken te zijn dan toevallige bedenkingen. Zoals “niks is meer dan we denken” of “Eens je weet hoe het loopt, heb je maar te volgen”, of nog dat we voorzichtig omgaan met glas en porcelein opdat het niet zou breken, maar dat we nog voorzichtiger er mee omgaan eens het gebroken is en wij de scherven ruimen…
Hij vertelt ook over de kraai van nonkel Biet die hem overal vergezelde. Over hoe Biet droomde dat hij met zijn kraai de wereld rondtrok en de zingende kraai op een accordeon begeleidde. Maar ook over hoe die droom abrupt eindigde en hoe Wortel op dat moment van Biet de vraag meekrijgt: “Hoe zou de wereld er uit zien zonder mij?” Hij vertelt hoe hij met die vraag de vier windstreken bereist en zo de betekenis vindt op de uitspraken van nonkel Biet.
De toneeltekst Wortel van glas is opgenomen in de bundel Nog. Het boek verscheen in 2004 bij Uitgeverij Houtekiet met ISBN 90-5240-780-0 depotnummer D/2004/4765/52 en is niet meer leverbaar. Om de volledige tekst als onbeveiligde pdf te ontvangen of voor informatie over opvoeringsrechten, kan je contact opnemen met de auteur. http://www.schrijverspodium.be/organisaties/p/detail/uitgeverij-houtekiet
Wortel van glas verscheen ook in de bundel Klein Magazijn 4 – Teksten voor jeugdtheater, uitgegeven bij Afijn met ISBN 90-5933-045-5, eveneens uitverkocht.
Reis door het Oosten
In het oosten leven zo verschrikkelijk veel mensen. Je houdt dat niet voor mogelijk! Goed, hier kom je wel eens iemand tegen. En op de markt loopt er heel wat volk rond, of op de Boekenbeurs, of het Autosalon... Dat is veel volk, ja. Maar dat is niks vergeleken bij het oosten. Ze botsen tegen elkaar op, rollen over elkaar heen, kruipen achter elkaar weg... Waanzin! Volk! Ik kwam daar toevallig terecht. Ik had beslist naar de vier windstreken te reizen om na te denken over alles wat Biet gezegd had. De vier windstreken. Omdat ik dat zo mooi vond. Biet had ooit voorgelezen uit een dik boek: En zij zwermden uit over de vier windstreken... Dat vond ik mooi. Dan schoten mijn gedachten alle kanten uit... Ik was in de richting van een windstreek gelopen zonder te weten welke. Het bleek het oosten te zijn. En tussen al dat volk daar, liep ze... het porseleinen meisje. Tussen al dat geweld. Rechtdoor liep ze. En niemand die haar raakte. Alsof haar breekbaarheid de mensen op een afstand hield. Ze droeg een houten dienblaadje met daarop twee kopjes dampende tee. Toen ze me zag staan, tussen al dat volk, liep ze recht op me af en hurkte neer en deed me teken hetzelfde te doen. Ze gaf me één van de kopjes en nam zelf het andere. Zo zaten wij daar, gehurkt, in die mensenzee en dronken tee. En keken naar mekaar. We keken en we dronken tee. Dat is één van de mooiste momenten uit mijn leven tot nog toe. We keken. Dronken. Keken. Dronken... Toen zei ze in de taal van het oosten: ‘Blijf bij mij’. We wandelden ‘s avonds langs de rivier, met ieder een lampion. De maan stond vol aan de hemel en uit de struiken schoten vuurvliegjes weg. Een bootje voer voorbij en liet het water van de rivier tegen de oever klotsen. We gingen zitten in de berm, om nog wat te kijken naar mekaar. Ze was zo mooi dat ik haast flauw viel. ‘Mag ik je zoenen’, vroeg ik. ‘Nog niet’, zei ze. En dan: ‘Kijk daar...’ En ze wees naar de hemel, naar de sterren. ‘Dat ben jij’, zei ze. ‘En dat...’ en ze wees een andere ster aan. ‘En die daar...’ en ze wees nog een andere aan. ‘En die grote ginder... allemaal jij’. Dat had Nonkel Biet me ook al eens gezegd. ‘Als je niet goed meer weet wie je bent, Wortel, kijk dan naar de sterren. Allemaal jij! Allemaal stukken van één grote ontploffing.’ En nu zei het porseleinen meisje het ook. Al die sterren... allemaal ik. ‘En jij’, vroeg ik. ‘Ik ook’, zei ze ‘... ook allemaal. Alle sterren. Als ik alleen ben.’ We werden allebei een beetje triest, daar aan de oever van de rivier. Ik wist dat ze het opnieuw zou zeggen. Blijf bij mij. Het was geen vraag. Ze zei het gewoon, een beetje voor zich uit. Ik wist dat ze het opnieuw zou zeggen en ze deed het. ‘Blijf bij mij.’ Ik zei haar dat ik nog drie windstreken had te gaan en dat ik onmogelijk kon blijven. En toen hoorde ik iets breken. Binnen in haar. Alsof ze de kopjes die ze vanmorgen droeg, had laten vallen. Ik keek haar aan en wilde iets verzinnen om haar te troosten, maar mijn mond bleef stil. Ze glimlachte flauwtjes en er kwamen barsten in haar porseleinen aangezicht. Alles kraakte en ze viel in duizend stukjes uit elkaar. Scherpe scherven die ik voorzichtig in mijn zakdoek verzamelde. Niet voorzichtig genoeg. Met bloedende handen vertrok ik naar een andere windstreek.